You are here: Home Q&A Vragen en Antwoorden

Vragen en Antwoorden

Questions and Answers English Fragen und Antworten Deutsch

Is er iets wat u altijd al hebt willen weten over taal? Wij hebben misschien het antwoord! Op deze pagina beantwoorden we vragen over taal die gesteld zijn door mensen die geen taalonderzoeker zijn. Heeft u een vraag over taal? Stuur ons uw vraag via deze link! Onderzoekers van het Max Planck Instituut zullen regelmatig vragen selecteren en nieuwe antwoorden publiceren. Bezoek ons dus opnieuw in de toekomst, want dan vindt u hier nieuwe antwoorden en komt u nog meer te weten over taal. 

Toon of verberg antwoordHoe beïnvloeden woorden die een geslacht hebben onze cognitie?
Link & Share

Talen kunnen op veel verschillende manieren onderscheid maken tussen verschillende groepen woorden. Voor zelfstandig naamwoorden gebeurt dat vaak op basis van het grammaticale geslacht. In het Frans, bijvoorbeeld, is ieder zelfstandig naamwoord ofwel mannelijk (le homme) ofwel vrouwelijk (la femme). In andere talen, zoals het Nederlands, wordt geen onderscheid gemaakt tussen mannelijk en vrouwelijk maar wel tussen 'zijdige' woorden (de burgemeester (m.), de regering (v.)) en onzijdige woorden (het kind). Maar niet alle talen maken twee categorieën; er zijn ook talen waarin alle woorden onzijdig zijn (bijvoorbeel het Engels: the man, the woman, the child). Weer andere talen hebben maar liefst 16 categorieen (bijv. Swahili: er zijn verschillende categorieën voor levende dingen, niet-levende dingen, gereedschap, vruchten ...). Al deze talen verschillen dus duidelijk wat betreft hun zogenoemde 'grammaticale geslachtssysteem'. Hoewel het in West-Europese talen ogenschijnlijk zo is dat het grammaticale geslacht voornamelijk de lidwoorden die voorafgaan aan een zelfstandig naamwoord beïnvloedt (bijv. de versus het in het Nederlands), beïnvloeden geslachtsverschillen vaak ook het zelfstandig naamwoord zelf en andere gerelateerde woorden, zoals het bijvoeglijk naamwoord. Het Pools kent bijvoorbeeld geen lidwoorden (alsof ‘de’ en 'het’ in het Nederlands niet zouden bestaan), maar maakt gebruik van een ingewikkeld geslachtssysteem dat vereist dat bijvoeglijk naamwoorden overeenstemmen met de bijbehorende zelfstandige naamwoorden. De verklaring  voor de grote verschillen tussen talen blijft vooralsnog een mysterie.

Aangezien het geslachtssysteem van een taal relevant is voor alle zinnen die we maken, zou je je af kunnen vragen of het verder gaat dan dat; beïnvloedt het feit dat woorden grammaticaal geslacht kunnen hebben ook het menselijk denkproces in het algemeen? Op het eerste gezicht lijkt dit onwaarschijnlijk. Een grammaticaal geslachtssysteem is slechts een set van regels hoe woorden veranderen als ze gecombineerd worden. Er is geen 'diepere' betekenis en er is vaak zelfs niet eens een relatie met het natuurlijke geslacht (bijvoorbeeld la table in het Frans; tafels zijn niet vrouwelijk). Niettemin komen er verrassende resultaten uit een serie experimenten.

In de jaren '80 viel het Alexander Gulora en zijn collega's op dat kinderen van twee tot drie jaar die Hebreeuws spraken (een taalsysteem dat woorden onderverdeelt in 'mannelijke' en 'vrouwelijke' woorden) ongeveer een half jaar voorliggen op Engelstalige kinderen wat betreft hoe bewust ze zich zijn van het feit dat ze een jongen of een meisje zijn. Het lijkt erop dat het geslachtsverschil in de Hebreeuwse taal deze kinderen aanwijzingen gaf ten aanzien van vergelijkbaar geslachtsonderscheid in de natuur.

Ook volwassenen lijken gebruik te maken van grammaticaal geslacht, ondanks dat dit op het eerste gezicht zinloos lijkt. Roberto Cubelli en zijn collega's vroegen mensen te beoordelen of twee objecten al dan niet tot dezelfde categorie behoorden (bijv. gereedschap of meubilair). Als het grammaticale geslacht van de twee objecten overeenkwam, waren de mensen sneller in hun beoordeling dan wanneer dat niet het geval was. In deze taak was het niet nodig de objecten te benoemen, maar toch lijkt het erop dat mensen het willekeurige grammaticale classificatiesysteem van hun moedertaal gebruiken.

Edward Segel en Lera Boroditsky ontdekten zelfs een invloed van grammaticaal geslacht buiten het laboratorium - in een encyclopedie van klassieke schilderingen. Zij bekeken alle geslachtelijke verbeeldingen van natuurlijk ongeslachtelijke concepten, zoals liefde, gerechtigheid en tijd. De onderzoekers viel de trend op dat deze entiteiten vaak gepersonificeerd werden door mannelijke personages als het grammaticale geslacht mannelijk was in de taal van de schilder (bijv. Frans: le temps) en vice versa voor vrouwelijke personages (bijv. Duits: die Zeit). Het geslacht van de afgebeelde personages kwam in 78% van de gevallen overeen met het grammaticale geslacht indien de moedertaal van de schilder dit verschil maakte, zoals in het Italiaans, Frans en Duits. Dit effect was zelfs nog consistent wanneer alleen gekeken werd naar concepten met verschillende geslachten in de verschillende talen.

Deze en vergelijkbare studies laten goed zien hoe grammaticale classificatiesystemen voor zelfstandige naamwoorden effect hebben op de visie van een taalgebruiker. Door af te dwingen dat mensen in bepaalde categorieën denken, worden denkgewoonten beïnvloed. Dit illustreert mooi dat gedachten beïnvloed worden door wat je moet zeggen - meer dan wat je kunt zeggen. Het effect van grammaticaal geslacht op cognitie benadrukt het feit dat taal geen geïsoleerde vaardigheid is, maar juist een centrale rol speelt in hoe onze geest werkt.

Geschreven door Richard Kunert en Gwilym Lockwood

Vertaald door: Nadine de Rue en Lotte Schoot.

 

Segel, E., & Boroditsky, L. (2011). Grammar in art. Frontiers in Psychology, 1,1. doi: 10.3389/fpsyg.2010.00244

Toon of verberg antwoordIs het onvermijdelijk dat regelmatig gebruik van een vreemde taal onze moedertaal beïnvloedt?
Link & Share

De meeste mensen die een tweede taal proberen te leren, of die omgaan met tweede-taalsprekers, merken dat de manier waarop mensen hun tweede taal spreken beïnvloed wordt door hun moedertaal. Ze hebben vaak een buitenlands accent, en ze gebruiken misschien de verkeerde woorden of een ongeschikte grammaticale structuur, omdat die woorden of die structuur worden gebruikt in hun moedertaal. Een minder bekend maar veelvoorkomend fenomeen is de invloed van een vreemde taal die we leren op onze moedertaal.

8_16_flags

Mensen die een vreemde taal beginnen te gebruiken (bijvoorbeeld, als men verhuist naar een ander land) ondervinden vaak problemen bij het vinden van woorden wanneer ze hun moedertaal gebruiken. Andere veelvoorkomende invloeden zijn het lenen van woorden of collocaties (twee of meer woorden die vaak samen voorkomen) uit de tweede taal. Nederlandse sprekers van het Engels als vreemde taal zouden bijvoorbeeld in een Nederlands gesprek Engelse woorden gebruiken waarvoor geen letterlijke vertaling is, zoals native. Anderen merken misschien dat ze een letterlijke vertaling van de collocatie ‘taking a picture’ gebruiken terwijl ze in hun moedertaal spreken, zelfs al gebruikt hun moedertaal een ander werkwoord om die actie uit te drukken. Onderzoek van de afgelopen paar decennia laat zien dat dergelijke invloeden bestaan op alle taalkundige niveaus: zoals hierboven beschreven, lenen mensen woorden of uitdrukkingen van hun tweede taal, maar ze kunnen ook grammaticale structuren lenen of een buitenlands accent ontwikkelen in hun eigen moedertaal.

Over het algemeen heeft onderzoek laten zien dat alle talen die we spreken altijd tegelijk ‘actief’ zijn. Dit betekent dat wanneer een Nederlander Duits spreekt, niet alleen zijn Duits maar ook zijn Nederlands allebei tegelijkertijd automatisch geactiveerd zijn, samen met elke andere taal die die persoon spreekt. Zulke co-activatie bevordert waarschijnlijk de invloed die de talen op elkaar hebben.

Dus, zal het leren van een vreemde taal noodzakelijkerwijs de moedertaal beïnvloeden, op alle taalkundige niveaus? Tot op zeker hoogte, maar er zijn grote individuele verschillen. De invloed is sterker naarmate het gebruik van de vreemde taal toeneemt, en in het bijzonder als die regelmatig wordt gebruikt met moedertaalsprekers van die taal (zoals bij het verhuizen naar een ander land).  De invloed wordt ook sterker met het verstrijken van de tijd, dus immigranten tonen bijvoorbeeld vaker meer invloed na twintig jaar in het buitenland dan na twee jaar, al zijn er ook grote invloeden in de beginperiode van het regelmatig gebruik van een vreemde taal. Sommige onderzoeken suggereren ook dat verschillen tussen mensen in bepaalde cognitieve vaardigheden, zoals de vaardigheid om irrelevante informatie te onderdrukken, de sterkte van de invloed van de tweede taal op de moedertaal beïnvloeden. Het is echter belangrijk om te weten dat sommige van die invloeden relatief klein zijn, en misschien niet eens op te merken zijn in alledaags taalgebruik.

Door Shiri Lev-Ari en Hans Rutger Bosker

Vertaald door Joost Rommers en Hans Rutger Bosker

Verder lezen:

Cook, V. (Ed.). (2003). Effects of the second language on the first. Clevedon: Multilingual Matters.

Toon of verberg antwoordHoe ontstaat dyslexie?
Link & Share

Als een kind een normale algemene intelligentie heeft en een normaal algemeen zintuiglijk functioneren, maar toch grote moeite met het leren lezen of spellen, kan hij of zij gediagnosticeerd worden met dyslexie. Deze aandoening werd voor de eerste keer beschreven in de jaren 90 van de 19e eeuw en werd toen aangeduid als ‘aangeboren woordblindheid’, omdat men dacht dat het een gevolg was van een probleem in de verwerking van visuele symbolen. Later werd duidelijk dat visuele problemen niet kenmerkend zijn voor de meeste mensen met dyslexie. In veel gevallen spelen subtiele problemen met bepaalde aspecten van taal een rol in de problemen met het leren lezen en spellen. Wanneer het leert lezen, moet een kind leren begrijpen hoe gesproken woorden zijn opgebouwd uit kleinere individuele eenheden (fonemen). Daarnaast moet een kind vaardig worden in het combineren van deze fonemen met arbitraire geschreven symbolen (grafemen). Hoewel de algemene taalvaardigheid van mensen met dyslexie doorgaans normaal lijkt te zijn, presteren ze vaak slecht op testen die betrekking hebben op het manipuleren van fonemen en het verwerken van fonologie, zelfs wanneer deze testen niets te maken hebben met lezen of schrijven.

8.06_smaller

Dyslexie wordt gedefinieerd als een beperking in de leesvaardigheid. Toch is er niet één enkele, duidelijke oorzaak die dit kan verklaren. Daarom is het mogelijk dat 'dyslexie' niet één enkel syndroom is, maar dat het een cluster van verschillende aandoeningen vertegenwoordigt, waarbij verschillende mechanismen betrokken zijn. Echter, het is moeilijk om een heldere indeling in subtypes van dyslexie te maken. Onderzoek heeft uitgewezen dat een behoorlijk aantal gedragsmaten (niet slechts fonologische beperkingen) geassocieerd zijn met leesproblemen, hoewel er nog wordt gediscussieerd over hoe deze kenmerken samen een coherent beeld kunnen vormen. Om een voorbeeld van zo'n gedragsmaat te noemen: mensen met dyslexie zijn minder accuraat wanneer hun gevraagd wordt om snel achter elkaar een serie plaatjes met objecten of kleuren te benoemen. Sommige onderzoekers denken nu dat dyslexie het resultaat is van een combinatie van verschillende cognitieve beperkingen, die tegelijkertijd in dezelfde persoon optreden.

Omdat dyslexie in bepaalde families vaker voorkomt dan in andere, moeten erfelijke factoren een belangrijke rol spelen in iemands gevoeligheid voor dyslexie. Er bestaat niettemin geen twijfel over het feit dat de genetische basis complex en heterogeen is. Er zijn een groot aantal verschillende genen bij betrokken, maar elk van deze genen heeft slechts een kleine invloed. Bovendien is er een interactie tussen genen en de omgeving waarin een kind opgroeit. Onderzoekers zijn er al in geslaagd een aantal interessante kandidaatgenen te identificeren, zoals DYX1C1, KIAA0319, DCDC2 en ROBO1. Dankzij indrukwekkende verbeteringen in 'DNA sequencing technologie' zullen in de toekomst waarschijnlijk nog andere genen ontdekt worden. Wat er precies misgaat in de hersenen bij dyslexie is grotendeels onbekend. Volgens een prominente theorie treedt tijdens de vroege ontwikkeling van een kind een verstoring op in het proces waarbij hersencellen naar hun uiteindelijke positie bewegen; de zogenaamde neuronale migratie. Indirect bewijs voor deze hypothese is afkomstig van post-mortemonderzoek van menselijke hersenen en van onderzoek in ratten naar de functie van enkele kandidaatgenen. Toch zijn er nog veel open vragen die beantwoord moeten worden voordat we een volledig begrip hebben van de mechanismen die leiden tot dit moeilijk grijpbare syndroom.

Door Simon Fisher
Vertaald door Jan-Mathijs Schoffelen & Lotte Schoot

Verder lezen:

Carrion-Castillo, A., Franke, B., & Fisher, S. E. (2013). Molecular genetics of dyslexia: an overview. Dyslexia, 19, 214–240. (link)

Demonet J. F., Taylor M. J., & Chaix, Y. (2004). Developmental dyslexia. Lancet, 63, 1451–1460 (link)

Fisher, S. E. & Francks, C. (2006). Genes, cognition and dyslexia: learning to read the genome. Trends in Cognitive Science, 10, 250-257.(link)

Toon of verberg antwoordWat is het verband tussen beweging en taal?
Link & Share

Spreken is het resultaat van het plannen en uitvoeren van verschillende kleine bewegingen die elkaar snel opvolgen. Meerdere spiergroepen zijn betrokken bij het produceren van spraak: de tong, de lippen en de kaak, maar ook de stembanden en de ademhalingsspieren moeten nauw met elkaar samenwerken. Daarom is motorische planning essentieel voor spreken, net als voor iedere andere beweging.

Uit onderzoek blijkt dat er voor kinderen een sterk verband is tussen fijne motoriek en taalvaardigheid. Daarom moedigen logopedisten ouders aan om kinderen met vertraagde taalontwikkeling bijvoorbeeld te laten vingerverven, te spelen met water of zand of om ze kleine objecten te laten gebruiken (kleuren of het dichtknopen van de jas). Dit soort activiteiten helpen de hersenen om nieuwe connecties te maken tussen hersencellen. Die connecties zijn nodig om bewegingen te kunnen plannen die bestaan uit een opeenvolging van verschillende kleine bewegingen, en dus ook voor spraak. Om dezelfde reden worden handoefeningen vaak gebruikt in therapie voor patiënten die herstellen van spraak- en taalproblemen als gevolg van een beroerte of een andere hersenbeschadiging.

Hand8.05http://commons.wikimedia.org/wiki/File:Jbulwer.jpg

Een andere link tussen beweging en taal is te zien wanneer we kijken naar gebaren die samengaan met spraak. Mensen gebruiken vaak gebaren wanneer ze spreken en deze gebaren kunnen de luisteraar helpen om te begrijpen wat de spreker zegt. Soms zijn gebaren zelfs essentieel om de boodschap te begrijpen: bijvoorbeeld wanneer spraak niet goed te horen is (in een drukke kroeg) of wanneer iemand in een vreemde taal tegen je praat. Mensen zijn vaak opvallend vaardig in het interpreteren van de betekenis van verschillende hand- en lichaamsbewegingen. Uit recent onderzoek blijkt zelfs dat de hersengebieden die betrokken zijn bij het interpreteren van de betekenis van taal ook betrokken zijn bij het interpreteren van gebaren. Tenslotte laten gebarentalen zien dat taal zelfs helemaal uit bewegingen kan bestaan: dove mensen kunnen communiceren door alleen hun handen, armen en gezicht te bewegen.

Irina Simanova & David Peeters
Vertaald door Lotte Schoot, Jolien ten Velden & Flora Vanlangendonck

Verder lezen? 

Why a Long Island Speech Therapist Incorporates Movement and Sensory Activities into Speech Therapy Sessions (link)

McNeill, David (2012). How Language Began: Gesture and Speech in Human Evolution. New York, USA; United Kingdom: Cambridge University Press. (link)

Toon of verberg antwoordHoe creëren we spraakklanken?
Link & Share

Veruit de meeste spraakklanken worden geproduceerd met een luchtstroom vanuit de longen, die via de mond of neus het lichaam verlaat. We gebruiken deze luchtstroom om specifieke klanken te vormen met behulp van onze stembanden en/of de vorm en stand van onze mond en tong.

7.11 p b f v

Tijdens het produceren van een medeklinker vormen we ergens in de mond een obstructie. Deze obstructie kan de luchtstroom volledig tegen houden of de opening waarlangs de lucht stroomt verkleinen. In dit laatste geval ontstaat een soort ruis. Als we een ‘p’-klank of een ‘t’-klank uitspreken, wordt de luchtstroom tegengehouden door respectievelijk onze lippen en onze tong. Een verkleining van de opening door de lippen en tanden ontstaat bij de uitspraak van een ‘f’-klank, terwijl het onze tong is die voor de verkleining zorgt bij de productie van een ‘s’-klank. Ook onze stembanden worden gebruikt om onderscheid te maken tussen medeklinkers. Wanneer we onze stembanden bij elkaar brengen dan doet de passerende luchtstroom hen trillen, wat als gebrom klinkt. Wanneer onze stembanden verder uit elkaar staan dan trillen ze niet. Dit verschil kun je voelen door je vinger op je adamsappel te leggen en hardop ‘sss’- en ‘zzz’-klanken te maken. Kun je voelen dat de ‘zzz’-klank stemhebbend is (d.w.z. met trilling van de stembanden) en de ‘sss’-klank niet?

7.11 s z m

 

Het produceren van een klinker gaat gepaard met een verandering in de vorm van onze mond en met het bewegen met onze tong, lippen en kaak. De verschillende vormen van het spraakkanaal (mond- en keelholte) fungeren als akoestische filters die de brom van de stembanden op verscheidene manieren veranderen. We plaatsen onze tong voorin de mond en spreiden onze lippen om een ‘ie’-klank te maken, als we daarentegen onze tong achterin de mond plaatsen en onze lippen een ronde vorm geven dan produceren we een ‘oe’-klank. Voor een ‘aa’-klank leggen we onze tong op de bodem van de mond, brengen we onze kaak omlaag en openen we onze lippen wijd.

Er zijn nog andere manieren om spraakklanken te creëren. Zo kunnen we bijvoorbeeld de luchtstroom door de neus laten vloeien om nasale klanken (zoals een ‘m’-klank) te vormen. Daarnaast zijn er bepaalde Afrikaanse talen waarin met de tong een klein vacuüm wordt gecreëerd waarna deze wordt losgelaten met een klik tot gevolg.

 Matthias Sjerps, Matthias Franken & Gwilym Lockwood
Vertaald door Lorijn Zaadnoordijk & Lotte Schoot

Verder Lezen?

De Spraakorganen (link)

Ladefoged, P. (1996). Elements of acoustic phonetics (second ed.) (link)

Nooteboom, S.G. & Cohen, A (1995). Spreken en verstaan / druk 4. Een nieuwe inleiding tot de experimentele fonetiek.

Toon of verberg antwoordIn hoeverre verschilt praten tijdens je slaap van praten wanneer je wakker bent?
Link & Share

Mensen doen allerlei dingen terwijl ze slapen. Ze bewegen, mompelen, lachen, en sommigen onder ons fluisteren of praten soms in hun slaap. Praten in de slaap (ofwel ‘somniloquy’) komt voor op alle leeftijden en tijdens alle fases van slaap. Maar wat is precies het verschil tussen praten tijdens de slaap en de normale spraak die iemand overdag produceert?

7.09 sleep

Image: Paul Sapiano

Taal geproduceerd tijdens het slapen bevat relatief meer fouten dan taal geproduceerd wanneer iemand wakker is. Mensen die in hun slaap praten kunnen bijvoorbeeld moeite hebben bij het vinden van woorden, of individuele klanken in een woord verwisselen (ze zeggen dan bijvoorbeeld hoterbam in plaats van boterham). Dit gebeurt natuurlijk ook wel eens tijdens normaal taalgebruik overdag, maar komt relatief vaker voor tijdens de slaap. Zo lijkt praten tijdens de slaap wel eens op de spraak van sommige afatische patiënten. Ook heeft het praten in de slaap wat weg van de spraak die schizofrene patiënten soms produceren, in dat er minder cohesie lijkt te bestaan tussen elkaar opvolgende zinnen, hetgeen leidt tot een relatief incoherent geheel. Ten slotte is spraak in de slaap vaak slechter gearticuleerd (mompelen) en bevat het soms onbegrijpelijke woorden of door de spreker nieuw uitgevonden woorden (neologismen).

Echter, misschien wel het meest opvallend is dat praten in de slaap en praten wanneer men wakker is zoveel op elkaar lijken. Mensen produceren hele volzinnen wanneer ze slapen en de grammaticale structuur van de zin is vaak perfect in orde. Er bestaan zelfs anekdotes over mensen die in slaap meer welbespraakt en creatief zouden zijn dan overdag, bijvoorbeeld wanneer ze een tweede taal spreken.

Praten in je slaap duidt niet noodzakelijk op een psychisch probleem of een psychopathologie. Het kan echter voorkomen in combinatie met slaapstoornissen zoals somnambulisme (het rondwandelen tijdens de slaap). Verder praten mensen die een traumatische gebeurtenis hebben meegemaakt (zoals soldaten die in een oorlog hebben gevochten) vaker dan mensen zonder trauma. Buiten zulke omgevingsfactoren is er ook een genetische component van invloed op het praten in de slaap. Wanneer je ouders notoire slaap-praters zijn, is er een grotere kans dat je zelf ook in je slaap zult praten.

Kortom, in taalkundig opzicht is de spraak die geproduceerd wordt tijdens de slaap minder verschillend van de taal die men overdag produceert dan je zou verwachten. Het belangrijkste verschil komt neer op de volkswijsheid dat je ’s nachts minder controle hebt over wat je zegt dan overdag. Of, zoals The Romantics het in hun hit uit 1984 bezingen: ‘I hear the secrets that you keep; When you're talking in your sleep; and I know that I’m right; cause I hear it in the night’.   

Of dit ook echt zo is, is nog niet wetenschappelijk onderzocht.

David Peeters & Roel M. Willems
Vertaald door David Peeters & Jolien ten Velden

Verder Lezen?

Arkin, A. (1981). Sleep talking. Psychology and psychophysiology. Hillsdale, NJ: Lawrence Erlbaum Associates.

Click to start the video on YouTube

About MPI

This is the MPI

The Max Planck Institute for Psycholinguistics is an institute of the German Max Planck Society. Our mission is to undertake basic research into the psychological,social and biological foundations of language. The goal is to understand how our minds and brains process language, how language interacts with other aspects of mind, and how we can learn languages of quite different types.

The institute is situated on the campus of the Radboud University. We participate in the Donders Institute for Brain, Cognition and Behaviour, and have particularly close ties to that institute's Centre for Cognitive Neuroimaging. We also participate in the Centre for Language Studies. A joint graduate school, the IMPRS in Language Sciences, links the Donders Institute, the CLS and the MPI.

 
Vragen en Antwoorden

Stuur de onderzoekers van
het MPI een nieuwe vraag: 

Outlined font 1,5 pt wide cirkle 3 pt.

Dit project werd door Katrien 
Segaert,
Katerina Kucera en 
Judith Holler
 opgestart. 

Momenteel wordt dit project
gecoördineerd door:
Katerina Kucera
Sean Roberts
Agnieszka Konopka
Gwilym Lockwood
Connie de Vos

Vroegere leden:
Joost Rommers
Mark Dingemanse