You are here: Home Q&A Vragen en Antwoorden

Vragen en Antwoorden

Questions and Answers English Fragen und Antworten Deutsch

Is er iets wat u altijd al hebt willen weten over taal? Wij hebben misschien het antwoord! Op deze pagina beantwoorden we vragen over taal die gesteld zijn door mensen die geen taalonderzoeker zijn. Heeft u een vraag over taal? Stuur ons uw vraag via deze link! Onderzoekers van het Max Planck Instituut zullen regelmatig vragen selecteren en nieuwe antwoorden publiceren. Bezoek ons dus opnieuw in de toekomst, want dan vindt u hier nieuwe antwoorden en komt u nog meer te weten over taal. 

Toon of verberg antwoordWat zijn de overeenkomsten en verschillen tussen natuurlijke talen en programmeertalen?
Link & Share

Sommige programmeertalen lijken veel op natuurlijke talen. Hieronder zie je een stukje Pythoncode dat een namenlijst doorzoekt en deze uitprint als ze ook voorkomen in een lijst genaamd invited_people.

Python

for name in my_list:
  if name in invited_people:
    print name

Echter, andere programmeertalen zijn veel minder leesbaar. Hieronder zie je een stukje code dat hetzelfde doet als de code hierboven, maar dan in Scheme.

Scheme

(map (lambda (name) (if (cond ((member name invited_people) name)) (display name) name)) my_list)

Dus het is de vraag in hoeverre natuurlijke talen en programmeertalen eigenlijk van elkaar verschillen? Om deze vraag te beantwoorden, kunnen we niet puur kijken naar de oppervlakkige overeenkomsten, maar leggen we allereerst een aantal vaktermen uit die taalkundigen gebruiken om de structuur van talen te beschrijven.

Code
Vergelijkbare semantische en syntactische structuren

Twee van de meest centrale  begrippen in de taalkunde zijn semantiek en syntaxis. In het kort is semantiek een taalkundige term voor betekenis, maar een meer preciese uitleg is dat semantiek de informatie bevat van een begrip. Bijvoorbeeld, een woordvorm zoals "slaap" (gespeld in letters als s-l-a-a-p, of uitgesproken in klanken) verwijst naar een specifieke actie van een levend organisme en dat is de semantiek van dat woord. De syntaxis bestaat daarentegen uit de regels van hoe verschillende soorten woorden (bijvoorbeeld werkwoorden en zelfstandige naamwoorden) kunnen worden vervoegd en met elkaar kunnen worden gecombineerd. De zin "Mijn ideeën slapen" is een welgevormde zin in het Nederlands vanuit het oogpunt van de syntaxis, maar niet vanuit de semantiek,  aangezien ideeën niet leven en dus ook niet kunnen slapen. Semantiek en syntaxis bieden dus beiden een structuur voor wat samen kan gaan en wat niet, maar semantiek heeft betrekking op betekenis en syntaxis gaat over de manier waarop woorden en woordsoorten kunnen worden gecombineerd.

Nu we de semantiek en syntaxis van natuurlijke talen hebben uitgelegd, komen we terug op programmeren. In programmeertalen heeft de programmeur een bedoeling over wat de code moet doen. Dat zouden we de semantiek of betekenis van de code kunnen noemen. De syntaxis van de programmeertaal koppelt een stukje code, en de "woorden" daarin (dit zijn de variabelen, functies, verschillende soorten haakjes etc.), aan deze bedoelde betekenis. De voorbeelden van Python en Scheme hierboven hebben dezelfde semantiek, maar de syntax van de twee programmeertalen verschilt.

Verschillende doelen

We hebben beschreven dat er veel overeenkomsten zijn tussen de basale structuur van natuurlijke talen en programmeertalen, maar hoever strekt deze analogie? Natuurlijke talen zijn namelijk gevormd door de communicatieve behoefte van mensen en de functionele beperkingen van menselijke hersenen. Programmeertalen daarentegen zijn ontwerpen om de capaciteiten van een Türingmachine te hebben, dat wil zegen dat ze elke berekening kunnen doen die mensen kunnen met pen en papier, keer op keer.

Het is noodzakelijkerwijs zo dat programmeertalen vastliggen en beperkt zijn in hun functionaliteit, terwijl natuurlijke talen juist nieuwe combinaties toestaan en daardoor niet vastliggen. Programmeercode zorgt ervoor dat lange lijsten met gegevens ingelezen, opgeslagen en verwerkt kunnen worden in veel verschillende stappen, om zo de outputgegevens te genereren. Waar het om gaat is dat dit op een rigoreuze manier gebeurt. Natuurlijke talen daarentegen staan toe dat gesprekspartners elkaar begroeten, beloftes maken, of juist vage antwoorden geven en leugens vertellen. In natuurlijke talen ontstaan daardoor voortdurend nieuwe syntactische regels en betekenissen uit de graduele verandering van bijvoorbeeld woordbetekenissen. De zin "Ik zag de hond met een telescoop", bijvoorbeeld, heeft twee verschillende betekenissen (het zien van een hond door een telescoop of het zien van een hond die een telescoop heeft). Mensen gebruiken de context en hun kennis van de wereld om te bepalen welke betekenis er bedoeld . Natuurlijke talen rusten daardoor op altijd veranderende culturen, die verschillende nuances en combinaties van betekenissen voortbrengen voor verschillende mensen in verschillende culturen en contexten. Programmeercode daarentegen, laat zelden een dergelijke flexibiliteit in  interpretatie zien. In programmeertalen heeft een regel code één enkele betekenis, zodat de output met grote zekerheid kan worden gegenereerd.

By: Julia Udden, Harald Hammarström and Rick Janssen

Vertaald door: Connie de Vos & Sara Bögels

Toon of verberg antwoordWat zijn homofonen en waarom bestaan ze?
Link & Share

Homofonen zijn woorden die hetzelfde klinken maar twee of meerdere verschillende betekenissen hebben. Dit fenomeen komt in alle gesproken talen voor. Neem bijvoorbeeld de Engelse woorden FLOWER en FLOUR. Ze klinken hetzelfde, ondanks dat ze uit verschillende letters bestaan wanneer ze worden opgeschreven (daarom heten ze heterografische homofonen). Andere homofonen klinken hetzelfde en zien er (geschreven) hetzelfde uit, zoals de woorden BANK (zitmeubel/dijkhelling) en BANK (financiële instelling) in zowel het Engels als het Nederlands. Zulke woorden worden daarom ook wel homografische homofonen genoemd. Woorden die vergelijkbaar klinken maar een verschillende betekenis hebben bestaan ook tussen talen. Een voorbeeld is het woord WIE, dat in het Duits (‘hoe’) iets anders betekent dan in het Nederlands (‘wie’).

1.07

Je zou denken dat homofonen serieuze problemen opleveren voor de luisteraar. Hoe kun je ooit begrijpen wat een spreker bedoelt als zij ‘Ik haat de muis’ zegt? Verschillende wetenschappelijke studies hebben aangetoond dat luisteraars inderdaad ambigue woorden iets langzamer verwerken in vergelijking met ondubbelzinnige woorden. Echter, meestal wordt de intentie van de spreker wel duidelijk uit de context. Bovenstaande zin kan voorkomen in de context ‘Ik heb geen probleem met de meeste huisdieren van mijn dochter, maar ik haat de muis’ of ‘Ik ben blij met mijn nieuwe computer, maar ik haat de muis’. De door de spreker bedoelde betekenis wordt door de luisteraar vaak zo snel begrepen, dat de alternatieve betekenis vaak niet eens wordt opgemerkt. Voorafgaande talige context en kennis van de wereld helpen ons dus om de juiste woordbetekenis, en daarmee de intentie van de spreker, te achterhalen.

Waarom bestaan homofonen? Het lijkt veel minder verwarrend om verschillende combinaties van klanken te gebruiken voor verschillende concepten. Taalkundigen stellen dat klankverandering een belangrijke factor voor het ontstaan van homofonen kan zijn. Bijvoorbeeld, in het begin van de 18e eeuw werd de eerste letter van het Engelse woord KNIGHT niet langer uitgesproken, waardoor het een homofoon werd met het woord NIGHT. Ook contact tussen talen creëert homofonen. Het Engelse woord DATE is relatief recent in het Nederlands opgenomen, en werd daarmee een homofoon van het reeds bestaande woord DEED. Sommige veranderingen door de tijd heen creëren dus nieuwe homofonen, terwijl andere veranderingen juist maken dat homofonen verdwijnen. Nu de werkwoordsvorm ZOUDT steeds minder gebruikt wordt in het Nederlands, begint het woord ZOUT zijn homofonische status te verliezen.

Een bijzonder leuk kenmerk van homofonen is dat ze vaak in woordspelingen voorkomen of als stilistische elementen in literaire teksten gebruikt worden. In Romeo en Julia van Shakespeare (Acte 1, Scene IV, regel 13-16) gebruikt Romeo bijvoorbeeld een homofoon als hij het advies om te gaan dansen van zijn vriend Mercutio in de wind slaat:

Mercutio:             Nay, gentle Romeo, we must have you dance.

Romeo:               Not I, believe me: you have dancing shoes

                          With nimble soles: I have a soul of lead

                          So stakes me to the ground I cannot move.

Zulk elegant gebruik van homofonen heeft ongetwijfeld bijgedragen aan Shakespeares literaire succes.

Door David Peeters en Antje S. Meyer

Verder lezen:

Bloomfield, L. (1933). Language. New York: Henry Holt and Company.

Cutler, A., & Van Donselaar, W. (2001). Voornaam is not (really) a homophone: Lexical prosody and lexical access in Dutch. Language and speech, 44(2), 171-195. (link)

Rodd, J., Gaskell, G., & Marslen-Wilson, W. (2002). Making sense of semantic ambiguity: Semantic competition in lexical access. Journal of Memory and Language, 46(2), 245-266. (link)

Tabossi, P. (1988). Accessing lexical ambiguity in different types of sentential contexts. Journal of Memory and Language, 27(3), 324-340. (link)

Toon of verberg antwoordWat bedoelen onderzoekers wanneer ze praten over "maternal language"? Bedoelen ze dan "moedertaal"?
Link & Share

Nee, met "maternal language" doelen onderzoekers op kind-georiënteerde taal. Modern onderzoek naar de manier waarop ouders en verzorgers tegen kinderen praten, begon in de late jaren zeventig. Wetenschappers die taalverwerving onderzoeken, waren geïnteresseerd in hoe het leren van taal beïnvloed wordt door de manier waarop ouders tegen hun kinderen praten. Aangezien de moeder doorgaans de belangrijkste verzorger is, richtten de eerste studies zich op het taalgebruik van de moeder (ook vaak ‘motherese’ genoemd). Deze taal werd gewoonlijk beschreven als een taal met een hogere toonhoogte, een breder toonbereik, en een eenvoudiger vocabulaire. Vandaag de dag weten we dat er veel meer variabiliteit is in de manier waarop ouders hun spraak aanpassen aan hun kinderen. Sommige moeders gebruiken bijvoorbeeld inderdaad een breder toonbereik dan gewoonlijk, maar veel moeders gebruiken haast hetzelfde toonbereik als dat ze gebruiken bij volwassenen. De spraak van de moeder past zich ook aan het taalvermogen van hun kinderen aan, en kan dus sterk veranderen van de ene op de andere maand.

Q&A maternal 6.2

Image: Eoin Dubsky

Daarnaast zijn er culturen waarin moeders nauwelijks of geen ‘babypraat’ gebruiken wanneer ze met hun kinderen communiceren. Om deze reden is het onmogelijk om een universele moederlijke taal te definiëren. Daarnaast is het belangrijk om niet te vergeten dat ook vaders, grootouders, broers, zussen, andere familieleden en zelfs niet-familieleden hun spraak aanpassen wanneer ze tegen een jong kind praten. Om deze reden geven onderzoekers vandaag de dag de voorkeur aan ‘kind-georiënteerde spraak’ boven 'maternal language' of ‘motherese’. Enkele recente onderzoeken hebben aangetoond dat wij niet alleen onze spraak aanpassen aan kinderen: we veranderen ook onze handbewegingen en de manier waarop we dingen uitbeelden. We maken ze trager, groter, en dichter bij het kind. Samengevat, kind-georiënteerde taal lijkt slechts één aspect te zijn van een breder communicatief fenomeen tussen ouders/verzorgers en kinderen.

Meer weten?

Fernald, A., Taeschner, T., Dunn, J., Papousek, M., de Boysson-Bardies, B., & Fukui, I. (1989). A cross-language study of prosodic modifications in mothers' and fathers' speech to preverbal infants. Journal of Child Language, 16, 477–501.

Toon of verberg antwoordWat is het verschil tussen een dieptestructuur en een oppervlaktestructuur in taal?
Link & Share

De termen 'dieptestructuur' en 'oppervlaktestructuur' verwijzen naar de verschillende niveaus waarop informatie wordt verwerkt in het taalproductiesysteem. Stel je bijvoorbeeld voor dat je een hond ziet die een postbode achtervolgt. Wanneer je deze informatie in taal omzet, creëer je een representatie die drie informatie-eenheden bevat: een hond, een postbode en de actie 'achtervolgen'. Deze informatie zit in het hoofd van de spreker als een onderliggende structuur, of 'dieptestructuur'. Als je de informatie wilt uitdrukken in taal, kun je bijvoorbeeld een zin produceren als 'de hond achtervolgt de postbode'. Dit is de oppervlaktestructuur, die bestaat uit woorden en geluiden die geproduceerd worden door een spreker (of schrijver) en die gehoord (of gelezen) worden door een luisteraar (of lezer). Hoewel de zin 'de postbode wordt achtervolgd door de hond' dezelfde gebeurtenis (dieptestructuur) omschrijft als de eerste zin, is de volgorde waarop je de twee figuren noemt (de oppervlaktestructuur) anders: één dieptestructuur kan dus verschillende oppervlaktestructuren hebben. Taalkundigen denken dat je verschillende 'verplaatsingsregels' kan toepassen op de informatie in de dieptestructuur, met als resultaat dat verschillende oppervlaktestructuren ontstaan. Deze verplaatsingen noemen ze taalkundige regels, die deel uit maken van onze grammatica. Sprekers (en schrijvers) moeten de regels leren om grammaticaal correcte zinnen te kunnen produceren.

Chomsky

Image: Duncan Rawlinson

Er betaan regels voor verschillende soorten uitingen. Andere voorbeelden van verplaatsingsregels  tussen de dieptestructuur en de oppervlaktestructuur, leiden tot declaratieve zinnen (jij hebt een hond) en vragende zinnen (heb jij een hond?). Hier is het ook in de regel opgenomen dat de volgorde van de eerste twee woorden in de zin omgedraaid moeten worden.

by Gwilym Lockwood & Agnieszka Konopka
Vertaald door  Lotte Schoot & Lorijn Zaadnoordijk

Meer weten?

Chomsky, N. (1957). Syntactic Structures. Mouton.
Chomsky, N. (1965). Aspects of the Theory of Syntax. MIT Press.

Toon of verberg antwoordWat is lichaamstaal?
Link & Share

Mensen 'praten' met elkaar zonder ook maar een woord te zeggen. Lichaamstaal is een vorm van non-verbale communicatie en het wordt vaak gezegd dat lichaamstaal informatie overbrengt over wat je van iets of iemand vindt of hoe je je voelt. Een bekend voorbeeld van lichamelijk gedrag dat dit soort informatie overbrengt is je houding. Achteroverleunen en je armen over elkaar slaan wordt bijvoorbeeld meestal geïnterpreteerd als een 'gesloten' houding ten opzichte van een interactie; deze houding is tegenovergesteld aan hoe we ons iemand voorstellen die open staat voor interactie en geïnteresseerd is in zijn gesprekspartner. Een ander voorbeeld is dat je tijdens een interactie ook je positie ten opzichte van je gesprekspartner kunt aangeven: je armen kruisen met je handen achter je hoofd  en je ellebogen wijd wordt vaak geassocieerd met het uitstralen van macht en overheersing.

1.05

Toch moeten we de relatie tussen een bepaalde positie van een lichaamsdeel en de informatie die je daarmee overbrengt niet zien als een vaststaande één op één relatie; het zijn eerder associaties. Het woord 'lichaamstaal' wordt vaak gebruikt om te suggereren dat er een lichamelijke 'code' is, waarin verschillende (combinaties van) posities van lichaamsdelen verschillende, specifieke betekenissen hebben. Hiervan zijn verschillende voorbeelden te vinden op het internet: zo zou het draaien van je voet in de richting van een bepaalde persoon laten zien dat je geïnteresseerd bent in die persoon op het romantische vlak, zou het uitblazen van sigarettenrook in een bepaalde richting staan voor zelfvertrouwen en zou het plaatsen van je hand op je heup met een vinger in de lus van je riem laten zien dat je klaar bent voor seksuele interactie (zie figuur 181 link). Toch is er maar weinig reden om aan te nemen dat dit is hoe lichaamstaal werkt. Lichaamstaal moet eerder gezien worden als een combinatie van houdingen op verschillende niveaus. Bovendien is er interactie tussen de verschillende niveaus en met wat we zeggen en doen - lichaamstaal is een complex systeem dat zich aanpast aan de context waarin een persoon zich bevindt. Er bestaat niet zoiets als een 'geheime code' met specifieke functies die je je aan kunt leren.

Het is belangrijk om op te merken dat 'lichaamstaal' iets heel anders is dan sommige andere vormen van communicatie waarbij het lichaam gebruikt wordt, zoals gebaren die samengaan met spraak. Deze gebaren zijn bewegingen van een lichaamsdeel, vaak een hand of een arm, die informatie uitbeelden die sterk gerelateerd is aan de spraak die op dat moment te horen is (bijvoorbeeld iemand die cirkels tekent in de lucht met een uitgestrekte wijsvinger om een ronddraaiende beweging te laten zien terwijl ze praat over een helikopter). Een andere vorm van communicatie met het lichaam is gebarentaal. Dit is weer anders dan het gebruiken van gebaren terwijl je praat, en ook anders dan lichaamstaal: gebarentalen zijn complete talen, net als het Nederlands of Engels. Toch hebben gebaren in gebarentaal en gebaren die samengaan met spraak iets gemeen: ze worden gebruikt om betekenis (zoals feitelijke informatie over de wereld waarin we leven) over te dragen aan iemand anders (maar op verschillende manieren; zie ook het antwoord op de vraag 'Kan lichamelijke communicatie dienst doen als een universeel, non-verbaal communicatiemiddel?'). Daarom zijn gebaren in gebarentaal en gebaren die samengaan met spraak fundamenteel verschillend van de non-verbale signalen waaruit lichaamstaal bestaat.

Je kunt je afvragen of lichaamstaal dan wel iets toevoegt aan menselijke communicatie. Hoewel het moeilijk is om te bepalen hoeveel informatie er precies wordt overgebracht door lichaamssignalen, wordt er over het algemeen gedacht dat lichaamstaal op zijn minst zo belangrijk is als de taal die we spreken - als het niet belangrijker is - en dat het een belangrijke invloed heeft op communicatie tussen mensen. In sommige situaties kan het lichaam onmiddellijk datgene 'zeggen' waar anders vele woorden nodig waren geweest. En soms kan ons lichaam dingen communiceren die we überhaupt niet in woorden kunnen vatten.

 Judith HollerFranziska Hartung & Charlotte Poulisse
Vertaald door  Lotte Schoot & Lorijn Zaadnoordijk

Further Reading:

Gestures in daily encounters (link)

Albert, M. (1971). Silent Messages. Belmont, CA: Wadsworth.

Argyle, M. (1975). Bodily Communication. Methuen: London.

Click to start the video on YouTube

About MPI

This is the MPI

The Max Planck Institute for Psycholinguistics is an institute of the German Max Planck Society. Our mission is to undertake basic research into the psychological,social and biological foundations of language. The goal is to understand how our minds and brains process language, how language interacts with other aspects of mind, and how we can learn languages of quite different types.

The institute is situated on the campus of the Radboud University. We participate in the Donders Institute for Brain, Cognition and Behaviour, and have particularly close ties to that institute's Centre for Cognitive Neuroimaging. We also participate in the Centre for Language Studies. A joint graduate school, the IMPRS in Language Sciences, links the Donders Institute, the CLS and the MPI.

 
Vragen en Antwoorden

Stuur de onderzoekers van
het MPI een nieuwe vraag: 

Outlined font 1,5 pt wide cirkle 3 pt.

Dit project werd door Katrien 
Segaert,
Katerina Kucera en 
Judith Holler
 opgestart. 

Momenteel wordt dit project
gecoördineerd door:
Katerina Kucera
Sean Roberts
Agnieszka Konopka
Gwilym Lockwood
Connie de Vos

Vroegere leden:
Joost Rommers
Mark Dingemanse