You are here: Home Q&A Vragen en Antwoorden

Vragen en Antwoorden

Questions and Answers English Fragen und Antworten Deutsch

Is er iets wat u altijd al hebt willen weten over taal? Wij hebben misschien het antwoord! Op deze pagina beantwoorden we vragen over taal die gesteld zijn door mensen die geen taalonderzoeker zijn. Heeft u een vraag over taal? Stuur ons uw vraag via deze link! Onderzoekers van het Max Planck Instituut zullen regelmatig vragen selecteren en nieuwe antwoorden publiceren. Bezoek ons dus opnieuw in de toekomst, want dan vindt u hier nieuwe antwoorden en komt u nog meer te weten over taal. 

Toon of verberg antwoordOp welke leeftijd beginnen kinderen met het gebruik van simple zinnen?
Link & Share

Kinderen verschillen in de manier waarop zij leren en we zien dan ook veel verschillen in hoe kinderen zich ontwikkelen. Om deze reden is het moeilijk om precies aan te geven vanaf welke leeftijd een kind iets kan (bijvoorbeeld het eerste woord rond 12 maanden). De mijlpalen in de taalontwikkeling van een kind die hier (maar ook elders) genoemd worden, zijn dan ook altijd een gemiddelde leeftijd waarop een bepaalde vaardigheid zich ontwikkelt. Het is heel normaal dat kinderen een bepaalde vaardigheid een paar maanden eerder of juist een paar maanden later ontwikkelen. Met deze informatie in ons achterhoofd geven we hieronder een kort overzicht van de ontwikkeling die kinderen doormaken voor het leren van eenvoudige korte zinnen.

Question and answer Q&A baby

Kinderen beginnen wanneer ze rond de 30 tot 36 maanden oud zijn met het vormen van eenvoudige zinnen. Dit klinkt voor sommigen misschien best laat, aangezien kinderen hun eerste woordjes vaak al rond 12 maanden uiten. Maar voordat kinderen woorden aan elkaar kunnen plakken om zinnen te vormen, moeten ze eerst enige kennis verwerven over de grammatica van hun moedertaal. Bijvoorbeeld, zelfstandig naamwoorden en werkwoorden kunnen worden gezien als de bouwstenen van zinnen (“poes” +”wil”+”melk” = “De poes wil melk”), maar zelfs hele eenvoudige zinnen vereisen vaak dat de spreker er nog enkele woorden aan toevoegt, zoals “de”, of dat er vervoegingen worden gebruikt (wil, willen, wilde). Het leren van zulke vervoegingen en functiewoorden is niet gemakkelijk: Anders dan bij inhoudswoorden, kunnen kinderen de betekenis van bijvoorbeeld “de” niet ervaren. Om het allemaal nog ingewikkelder te maken moeten de woorden ook nog in de juiste volgorde worden gezet en hardop worden uitgesproken met de juiste intonatie en nadruk die past bij de betekenis van de zin (vergelijk bijvoorbeeld: “ De POES wil melk” met “De poes wil MELK”). Dit alles bij elkaar kan nog best moeilijk zijn voor kinderen.

Ondanks dat kinderen jonger dan 30 maanden nog geen volledige zinnen maken, leren ze al wel hoe ze woorden op andere manieren kunnen combineren. Vlak na hun eerste verjaardag beginnen kinderen woorden te combineren met gebaren zoals wijzen, knikken en het laten zien van voorwerpen. De combinatie van een woord met een gebaar maakt dat kinderen meer kunnen “zeggen” dan wanneer ze alleen het woord gebruiken (bijvoorbeeld ja knikken in combinatie met het woord “melk” betekent "ja, ik wil graag melk"). Sommige onderzoeken laten zien dat deze vaardigheid van het combineren van gebaren en woorden een voorbode is van het gebruik van twee-woordzinnen een paar maanden later.

Vanaf ongeveer 18 maanden beginnen kinderen combinaties van twee woorden te gebruiken, bijvoorbeeld “beer”. “bed”, om een zin uit te drukken zoals “de beer ligt in bed”. In het begin lijken de woorden nog los van elkaar te zijn, maar als kinderen meer ervaring opdoen met twee-woordcombinaties worden de pauzes tussen de woorden steeds korter en ook de intonatie van beide woorden zijn steeds meer met elkaar verbonden.

Rond 24 maanden, wanneer ze midden in de twee-woordfase zitten, beginnen kinderen vaak 2-3 woorden te combineren tot wat redelijk normale zinnen lijken, maar dan zonder functiewoorden en vervoegingen (bijvoorbeeld: “Daar poes!”). In deze fase gebruiken sommige kinderen de combinatie van woorden steeds in een vaste volgorde, met bijvoorbeeld een ankerwoord (“meer”, “ nee”, “dat”, “hier”) altijd als eerste (“meer appel”), terwijl andere kinderen ze juist in de tweede positie gebruiken (“appel meer”). Op het moment dat kinderen de pauzes tussen de woorden korter gaan maken, steeds een vaste volgorde gebruiken en intonaties gebruiken die individuele woorden met elkaar verbinden, dan is dat een teken dat het groepje woorden bedoeld wordt als één zin.

Als kinderen dan eindelijk eenvoudige zinnen gaan gebruiken, zo rond de 30-36 maanden, zijn ze er nog lang niet: De manier waarop ze woorden combineren tot langere zinnen is nog lang niet zo ontwikkeld als bij volwassenen. Ook zijn de kinderen rond deze leeftijd nog erg afhankelijk van wat ze het vaakst om zich heen horen. Het gebruiken van de juiste vervoegingen kan ingewikkeld zijn en het is niet ongewoon dat kinderen fouten maken wanneer ze leren welke vervoegingen er regelmatig (werk, werkt, werkte…) en onregelmatig (ben, is, was…) zijn. In de twee jaar nadat kinderen voor het eerst eenvoudige zinnen gebruiken, boeken ze onder andere grote vooruitgang wat betreft de grootte van hun woordenschat en het gebruik van grammatica. De zinnen worden steeds uitgebreider en tegen de tijd dat ze 4-5 jaar oud zijn hebben ze een groot deel geleerd van wat ze nodig hebben om vloeiend met anderen te kunnen communiceren.

Wilt u ook graag mee doen met taalverwervingsonderzoek? Kijk dan op de website van het Baby Research Centre in Nijmegen.


By: Marisa Casillas & Elma Hilbrink
Vertaald door: Elma Hilbrink & Connie de Vos

Literatuur

Clark, E. V. (2009). “Part II: Constructions and meanings”. In First language acquisition (pp. 149–278). Cambridge University Press.

Iverson, J. M., & Goldin-Meadow, S. (2005). Gesture paves the way for language development. Psychological science16(5), 367-371.

Toon of verberg antwoordWat zijn de overeenkomsten en verschillen tussen het leren van een natuurlijke taal en het leren van een programmeertaal?
Link & Share

Programmeertalen worden normaliter onderwezen aan tieners en volwassen, op een vergelijkbare manier waarop we ook een tweede taal leren. Dit soort van leren wordt ook wel expliciet leren genoemd. Daarnaast leert iederen impliciet een eerste taal wanneer ze jong zijn. Kinderen ontvangen daarbij echter geen expliciete instructies over hoe ze de taal moeten gebruiken, maar ze leren juist door observaties en oefening. Dit wordt onder andere mogelijk gemaakt doordat taal in een interactieve context wordt gebruikt: mensen stellen vragen en beantwoorden ze, ze vertellen het anderen als ze iets niet begrijpen en  overleggen over de betekenis totdat ze het wel begrepen hebben (Levinson 2014).

Computers. Source: http://commons.wikimedia.org/wiki/File:US_Navy_101106-N-8863V-113_Girl_Scouts_compete_in_the_Mission_Ocean_Challenge_during_the_USS_California_Science_Experience_at_Naval_Surface_Warfare.jpg

Programmeertalen daarentegen worden passief gebruikt: ze dienen om instructies te geven en ze geven foutmeldingen, maar ze vinden de code niet interessant of juist saai en ze stellen zeker geen vragen aan hun programmeur. Daardoor is het soms moeilijk om  in een programmeertaal te denken, dat wil zeggen om instructies volledig en ondubbelzinnig op te schrijven. Het goede nieuws is echter dat veel programmeertalen gebaseerd zijn op vergelijkbare concepten en structuren, aangezien ze allemaal gebaseerd zijn op dezelfde computatieprincipes. Dit betekent dat het vaak redelijk  makkelijk is om een tweede programmeertaal te leren wanneer je er al één kent. Het kost vaak veel meer moeite om een tweede natuurlijk taal te leren. één ding is zeker - het wordt steeds belangrijker om beide talen te leren.

Leessuggestie

The children who learned to use computers without teachers

Levinson, S. C. (2014). Pragmatics as the origin of recursion. In F. Lowenthal, & L. Lefebvre (Eds.), Language and recursion (pp. 3-13). Berlin: Springe. link

 

By: Julia Udden, Harald Hammarström and Rick Janssen

Aus dem Englischen übersetzt von: Connie de Vos & Sara Bögels

Toon of verberg antwoordHoe ontwikkelen kinderen de verschillende vaardigheden noodzakelijk voor taalverwerving, in welke volgorde en waarom?
Link & Share

Kinderen beginnen meestal te brabbelen vanaf twee of drie maanden - eerst maken ze klinkers, later medeklinkers en uiteindelijk, vanaf zeven tot 11 maanden, geluidjes die op woorden beginnen te lijken. Kinderen brabbelen om te ontdekken hoe ze hun keel, mond en stembanden kunnen gebruiken om deze verschillende geluiden te produceren. Tegelijkertijd ontwikkelen ze de vaardigheid om woorden te kunnen herkennen. Dit zijn belangrijke stappen richting het kind zijn eerste woordjes die zich normaalgesproken rond 12 maanden openbaren.

Simpele zinnetjes die uit slechts één woord bestaan worden gevolgd door twee-woord-zinnetjes rond anderhalf tot twee jaar, waarbij ook de eerste tekenen van het gebruik van grammatica vertoond worden. Kinderen die opgroeien in een Duits- of Nederlandstalige omgeving (talen gekenmerkt door een 'onderwerp-werkwoord-lijdend voorwerp' woordvolgorde in bijzinnen, zinsdelen die een stabiele woordvolgorde kennen) of een Engelstalige ('onderwerp-werkwoord-lijdend voorwerp' volgorde) maken hun twee-woord-zinnetjes in een 'onderwerp-werkwoord' volgorde, zoals "ik eet". Kinderen die Arabisch of Iers leren (talen met een 'werkwoord-onderwerp-lijdend voorwerp' volgorde) maken daarentegen zinnetjes zoals "eet ik". Vanaf deze periode groeit het kind zijn woordenschat snel en de zinnen worden eveneens uitgebreider en complexer. Van grammatica wordt over het algemeen aangenomen dat de ontwikkeling het vierde of vijfde levensjaar is voltooid en vanaf dat moment worden kinderen als taalkundige volwassen beschouwd. Deze tijdsspanne varieert echter sterk van kind tot kind en de woordvolgorde hangt natuurlijk af van de omgeving waarin het kind opgroeit. Tegen het vierde à vijfde levensjaar zullen alle zich normaal ontwikkelende kinderen taalvaardig zijn. Dit gehele proces van taalverwerving gaat gepaard met verschillende ontwikkelingen in de hersenen zoals de vorming van nieuwe zenuwbanen, een verhoogd metabolisme in verschillende hersengebieden en 'myelinisering' (de inkapseling van zenuwuitlopers met een vettige, isolerende stof die essentieel is voor een normale werking van het zenuwstelsel).

Door Mariella Paul and Antje Meyer

Vertaald door Rick Janssen

Verder lezen:

Bates E, Thal D, Finlay BL, Clancy, B (1999) Early Language Development and its Neural Correlates, in I. Rapin & S. Segalowitz (Eds.), Handbook of Neuropsychology, Vol. 6, Child Neurology (2nd edition). Amsterdam: Elsevier. (link)

Toon of verberg antwoordIs er een snelle methode om mijn Engelse vocabulaire uit te breiden?
Link & Share

Het leren van een nieuwe taal is niet makkelijk, met name omdat dit veel van ons geheugen vergt. Hoewel er geen universele ‘best practice’ bestaat, kun je met behulp van een aantal goede strategieën een stuk efficiënter nieuwe woorden leren.

De gebruikelijke methode om vanaf niets een vocabulaire op te bouwen is door de nieuwe woorden uit de te leren taal naar de eigen taal te vertalen. Dit is vooral een goede methode voor twee talen die gerelateerd zijn aan elkaar, zoals het Nederlands en het Duits.  Echter, wanneer de twee talen niet aan elkaar gerelateerd zijn, zoals Engels en Chinees, is deze methode te indirect. Het leerproces wordt in dergelijke gevallen veel efficiënter wanneer de vertaalstap wordt overgeslagen en de nieuwe woorden direct aan objecten of handelingen gekoppeld worden. Veel bekwame tweede-taalsprekers komen regelmatig woorden tegen waar geen adequate vertaling voor bestaat in hun moeder taal. Hieruit blijkt dat deze woorden niet eigen zijn gemaakt door middel van vertaling, maar geleerd zijn in de context van de nieuwe taal.

6.07

Om de vertaalstap in een vroeg stadium van het leerproces over te slaan, kan het helpen om je in te beelden hoe het woord er uitziet (of aanvoelt, ruikt, of beweegt) wanneer je het hoort of uitspreekt. Op deze manier wordt het nieuwe woord gekoppeld aan de verbeelding die dit woord bij je oproept. Met deze techniek imiteer je als het ware de manier waarop een kind een nieuwe taal leert. Een andere manier om sneller woordjes te leren is door begripsmatig aan elkaar gerelateerde woorden te groeperen en die tegelijkertijd te oefenen. Zo kun je bijvoorbeeld alle objecten en gebeurtenissen die met vervoer te maken hebben benoemen wanneer je op weg naar huis gaat, of aan de eettafel proberen alle objecten te benoemen die je op dat moment ziet. Waar het om gaat is dat je de nieuwe taal direct betekenis geeft, in plaats van haar probeert te begrijpen door middel van een ander medium, zoals de moedertaal. In een wat meer gevorderd stadium kun je gebruik maken van een eentalig woordenboek, zoals Thesaurus in het Engels. Hiermee zoek je de betekenis van nieuwe woorden rechtstreeks op en maak je dus geen gebruik van de vertalingen uit een tweetaling woordenboek.

Ook het aanwenden van een methode genaamd 'interval leren' kan behulpzaam zijn. Interval leren is een getimede routine. Nieuw materiaal (zoals een set woorden in een taal die je aan het leren bent) wordt in drie getimede blokken en tussenliggende pauzes van 10 minuten geïntroduceerd, bestudeerd en herhaald. Het is belangrijk dat de afleidingsactiviteiten die tijdens de pauzes worden uitgevoerd totaal ongerelateerd zijn aan het studie materiaal, zoals lichamelijke oefeningen. Laboratoriumonderzoek heeft aangetoond dat zulke herhaalde stimuli met tussenliggende pauzes resulteren in lange-termijn verbindingen tussen neuronen in de hersenen. Dit zorgt dan weer voor lange-termijn opslag in het geheugen. Dergelijke processen vinden al plaats op een tijdsschaal van minuten en dit is niet alleen in mensen, maar ook in andere dieren aangetoond.

Aan vergeten en fouten maken ontkom je niet als je nieuwe dingen probeert te leren, maar hoe vaker je de woorden die je leert gebruikt, hoe beter je ze zult onthouden.

Sylvia Chen & Katerina Kucera
Vertaald door Charlotte Poulisse & Jolien ten Velden

Meer weten?

Kelly P. & Whatson T. (2013). Making long-term memories in minutes: a spaced learning pattern from memory research in education. Frontiers of Human Neuroscience, 7, 589. (link)

Toon of verberg antwoordWat is het verband tussen beweging en taal?
Link & Share

Spreken is het resultaat van het plannen en uitvoeren van verschillende kleine bewegingen die elkaar snel opvolgen. Meerdere spiergroepen zijn betrokken bij het produceren van spraak: de tong, de lippen en de kaak, maar ook de stembanden en de ademhalingsspieren moeten nauw met elkaar samenwerken. Daarom is motorische planning essentieel voor spreken, net als voor iedere andere beweging.

Uit onderzoek blijkt dat er voor kinderen een sterk verband is tussen fijne motoriek en taalvaardigheid. Daarom moedigen logopedisten ouders aan om kinderen met vertraagde taalontwikkeling bijvoorbeeld te laten vingerverven, te spelen met water of zand of om ze kleine objecten te laten gebruiken (kleuren of het dichtknopen van de jas). Dit soort activiteiten helpen de hersenen om nieuwe connecties te maken tussen hersencellen. Die connecties zijn nodig om bewegingen te kunnen plannen die bestaan uit een opeenvolging van verschillende kleine bewegingen, en dus ook voor spraak. Om dezelfde reden worden handoefeningen vaak gebruikt in therapie voor patiënten die herstellen van spraak- en taalproblemen als gevolg van een beroerte of een andere hersenbeschadiging.

Hand8.05http://commons.wikimedia.org/wiki/File:Jbulwer.jpg

Een andere link tussen beweging en taal is te zien wanneer we kijken naar gebaren die samengaan met spraak. Mensen gebruiken vaak gebaren wanneer ze spreken en deze gebaren kunnen de luisteraar helpen om te begrijpen wat de spreker zegt. Soms zijn gebaren zelfs essentieel om de boodschap te begrijpen: bijvoorbeeld wanneer spraak niet goed te horen is (in een drukke kroeg) of wanneer iemand in een vreemde taal tegen je praat. Mensen zijn vaak opvallend vaardig in het interpreteren van de betekenis van verschillende hand- en lichaamsbewegingen. Uit recent onderzoek blijkt zelfs dat de hersengebieden die betrokken zijn bij het interpreteren van de betekenis van taal ook betrokken zijn bij het interpreteren van gebaren. Tenslotte laten gebarentalen zien dat taal zelfs helemaal uit bewegingen kan bestaan: dove mensen kunnen communiceren door alleen hun handen, armen en gezicht te bewegen.

Irina Simanova & David Peeters
Vertaald door Lotte Schoot, Jolien ten Velden & Flora Vanlangendonck

Verder lezen? 

Why a Long Island Speech Therapist Incorporates Movement and Sensory Activities into Speech Therapy Sessions (link)

McNeill, David (2012). How Language Began: Gesture and Speech in Human Evolution. New York, USA; United Kingdom: Cambridge University Press. (link)

Toon of verberg antwoordGebruiken mensen die meertalig opgroeien meer hersengebieden voor taal? En, werken onze hersenen vooral harder voor talen met verschillende structuren?
Link & Share

Alle mensen die meer dan één taal spreken worden tweetalig (of meertalig) genoemd, maar er zijn veel manieren waarop een persoon tweetalig kan worden. Sommige mensen leren hun tweede taal tegelijk met hun eerste taal, terwijl anderen pas beginnen met het leren van de tweede taal als ze de eerste taal (ook wel moedertaal) al geleerd hebben. In beide gevallen is het mogelijk dat je allebei de talen vloeiend leert spreken. Het lijkt zelfs zo te zijn dat hoe goed je bent in een taal meer invloed heeft op je hersenen dan het moment waarop je die taal hebt geleerd. Hersenonderzoek laat zien dat wanneer een persoon even goed is in twee talen het brein dezelfde gebieden gebruikt, en dat die gebieden even actief zijn , om die talen te spreken en te begrijpen.

bilingual sign

Maar lang niet alle meertaligen zijn even goed in alle talen die ze spreken. Als men in dit geval de hersenactiviteit vergelijkt voor het gebruik van de eerste en de tweede taal, dan tonen de hersenen activatie in dezelfde hersengebieden, maar deze gebieden zijn meer actief voor de tweede taal. Daarnaast kunnen voor het verwerken van de tweede taal ook nog extra hersengebieden ingezet worden, die vaak gelinkt worden aan controle en aandacht. Dat betekent dat als iets moeilijker is (zoals het spreken van de tweede taal) de hersenen harder moet werken.

Velen hebben ons gevraagd of tweetaligen die talen met een verschillende structuur spreken die talen anders verwerken in het brein. Talen varieren in hoe de relatie tussen woorden in een zin wordt uitgedrukt (wie doet wat bijwie). Sommige talen zoals Engels, Nederlands en Chinees veranderen de positie van de woorden in een zin (dit wordt de woordvolgorde genoemd). Andere talen zoals Japans en Koreaans voegen korte woorden in zonder een bepaalde betekenis (dit worden partikels genoemd) die de relaties tussen woorden aanduiden. Als de twee talen van een tweetalige niet tot dezelfde familie behoren (zoals Engels en Japans), zou men misschien verwachten dat ze niet op dezelfde manier verwerkt worden, zelfs als de tweetalige persoon beide talen even goed beheerst. Momenteel zijn er weinig studies die dit onderzoeken, maar er is ten minste één studie bij mensen met Chinees of Koreaans als moedertaal die zowel Engels en Japans als tweede taal spreken. Deze studie toonde aan dat hersenactivatie bepaald wordt door in hoeverre de grammatica (de structuur) van de tweede taal lijkt op die van de moedertaal. Voor meting met Engels (de tweede taal) was er meer hersenactivatie in het taalsysteem voor mensen met Koreaans als moedertaal dan voor mensen met Chinees als moedertaal. Dit was zo omdat Engels en Koreaans meer van elkaar verschillen dan Chinees en Koreaans. Voor metingen met Japans als tweede taal was er iets meer hersenactivatie voor mensen met Chinees als moedertaal dan mensen met Koreaans als moedertaal. Dit is opnieuw omdat Chinees en Japans meer van elkaar verschillen dan Koreaans en Japans. Een verklaring voor deze bevindingen is dat naast de leeftijd waarop je een taal leert en hoe goed je in een taal bent, hersenactiviteit bepaald wordt door verschillen en gelijkenissen tussen het grammaticasysteem van talen. Soms kan het langer duren voor het brein om een tweede taal even makkelijk te kunnen verwerken als de eerste taal, hoewel de spreker de tweede taal wel al op hetzelfde niveau beheerst. Echter, meer onderzoek is nodig om dat te kunnen bevestigen. We kunnen ieder geval zeggen dat welke taal er ook gesproken wordt, dezelfde taal-gerelateerde hersengebieden nodig zijn om die taal te kunnen spreken.  

Annika Hulten & Diana Dimitrova
Vertaald door Lotte Schoot & Katrien Segaert

Verder lezen?

Abutalebi, J. (2008). Neural aspects of second language representation and language control. Acta Psychologica,128, 466-478.

Kotz, S. A. (2009). A critical review of ERP and fMRI evidence on L2 syntactic processing. Brain Language, 109, 68-74.

Jeong, H., Sugiura, M., Sassa, Y., Yokoyama, S., Horie, K., Sato, S., & Kawashima, R. (2007). Cross-linguistic influence on brain activation during second language processing: An fMRI study. Bilingualism Language and Cognition10(2), 175.

Toon of verberg antwoordWanneer zou een kind een tweede taal moeten leren?
Link & Share

Het leren van een taal is niet hetzelfde voor een kind als voor een volwassene. Ten eerste is het brein van een kind nog in ontwikkeling, terwijl het brein van een volwassene volledig is volgroeid. Kinderhersenen zijn daardoor flexibeler en de neuronen van het taalsysteem kunnen zich daarom aanpassen aan zowel de moedertaal als aan een buitenlandse taal. Hierdoor zijn kinderen vaak beter in staat om een taal te leren spreken zonder enig accent en zijn ze beter in staat om onderscheid te maken in de fonologie van de tweede taal. Anderzijds hebben volwassenen een volgroeid brein en zijn zij in staat hun ervaring in te zetten wanneer zij leren. Volwassenen zijn daarom sneller en beter in leren op basis van overeenkomsten tussen twee talen en in het leren en toepassen van abstracte regels. Naast deze verschillen in brein-capaciteit leren kinderen en volwassenen een tweede taal vaak in een heel andere omgeving. (Jong)volwassenen leren een nieuwe taal in de formele setting van een school, terwijl kinderen leren door zich onder te dompelen in de nieuwe taal, bijvoorbeeld op de crèche.

Het antwoord op de vraag wat het beste moment is om een tweede taal te leren hangt af van wat je criteria zijn: gaat het om het eindresultaat of om de totale tijd die besteed moet worden aan het leren? Als vuistregel kun je ervan uitgaan dat een taal die vóór de leeftijd van 6-9 jaar is aangeleerd met groot gemak en zonder waarneembaar accent zal worden gesproken. Voorwaarde is wel dat het kind aanzienlijk wat tijd besteed aan het luisteren naar en het spreken van de tweede taal. Wanneer een taal op latere leeftijd wordt geleerd houden de sprekers daar wellicht een accent aan over, maar dat betekent niet dat zij de taal niet op een hoog niveau kunnen leren spreken. Bovendien hebben volwassenen die een tweede taal leren op school doorgaans minder tijd nodig om een taal te leren dan kinderen. Natuurlijk kunnen ook volwassenen een taal buiten de schoolbanken leren, door zichzelf onder te dompelen in de nieuwe taal. In dat geval is de tijd die besteed wordt aan het leren van de taal gelijk aan dat van jonge kinderen. Hoewel kinderen een tweede taal accentloos kunnen leren spreken zijn volwassenen en kinderen even bekwaam in het leren van vocabulaire.

Voor oudere tweede taal-leerders in het bijzonder speelt de motivatie om te leren een cruciale rol in de kwaliteit van het eindresultaat. Sterker nog, zelfs oudere mensen boven de 60 kunnen goede resultaten boeken in het leren van een tweede taal. Bovendien heeft het leren van een tweede taal ook voordelen: het lijkt te beschermen tegen verschillende vormen van dementie, zoals de ziekte van Alzheimer. Mensen zijn van nature nieuwsgierig en het leren van een andere taal en ontdekken van de cultuur die daar bij hoort is dan ook niet aan leeftijd gebonden.

 Annika Hulten & Diana Dimitrova
Vertaald door Charlotte Poulisse en Lotte Schoot

Verder lezen?

Kuhl, P. K. (2010). Brain mechanisms in early language acquisition. Neuron, 67, 713-727. (link)

Rodríguez-Fornells, A., T. Cunillera, A. Mestres-Missé & R. de Diego-Balaguer (2009). Neurophysiological mechanisms involved in language learning in adults. Philosophical Transactions of the Royal Society of London. Series B, Biological Sciences, 364, 3711-3735. (link)

Toon of verberg antwoordIs het waar dat mensen die goed zijn in muziek sneller een taal kunnen leren?
Link & Share

Ja, dit is inderdaad aangetoond. Echter, het antwoord is net anders voor kinderen die hun moedertaal leren dan voor mensen die een vreemde taal leren. Welke voordelen zijn er gevonden voor kinderen die muzieklessen volgen? Op 10-jarige leeftijd laten deze kinderen tijdens de verwerking van grammatica hersenactiviteit zien die meer lijkt op die van volwassenen. Als ze zes tot negen jaar oud zijn, lezen ze beter. Met vier jaar onthouden ze woorden beter en kunnen ze beter grammaticale regels toepassen die nodig zijn voor het maken van verschillende woordvormen (bv. meervoud maken). Kinderen die vroege actieve muzikale ervaringen hebben opgedaan, gebaren meer om met elkaar te communiceren als ze pas een jaar oud zijn. Dus het antwoord voor kinderen die hun moedertaal leren is: ja, muzieklessen verbeteren het gebruik van taal en haar voorlopers.

Bij het leren van een vreemde taal is het muziekvoordeel beperkt tot het horen en produceren van de basisgeluiden die taal maken wat het is. Bijvoorbeeld, kinderen en volwassenen zonder muziektraining die muzikaler zijn, zijn ook beter in het waarnemen en produceren van talige geluiden van een vreemde taal, zoals Chinese tonen. Verder zijn mensen met muziektraining beter in het onderscheiden en leren van spraakklanken van een vreemde taal, terwijl ze ook beter zijn in het vinden van fouten in de uitspraak van een vreemde taal. Het brein van muzikanten verwerkt klanken efficiënter, en delen van de hersenen die belangrijk zijn voor klankwaarneming hebben een andere structuur voor muzikanten dan voor niet-muzikanten. Samengevat, mensen die goed zijn in muziek, zijn beter in het leren waarnemen en produceren van klanken van een vreemde taal.

Music

Zouden deze resultaten verklaard kunnen worden doordat kinderen met een hogere intelligentie muzieklessen blijven volgen, terwijl de anderen sneller uitvallen? Dit kan niet de enige verklaring zijn: ook studies waar kinderen random in muziek- of schilderlessen werden ingedeeld, hebben betere taalvaardigheden gevonden na muzieklessen. Maar let op: het is niet duidelijk waardoor het komt dat muziek taalvaardigheid verbetert. Is het het trainen van langdurige concentratie tijdens muzieklessen? Komt het door het trainen van complexe gestructureerde klankpatronen tijdens het luisteren naar muziek? Ja, muzikale training zorgt ervoor dat mensen goed zijn in muziek en een beetje beter in taal. Maar het is nog niet precies duidelijk waarom dat zo is.

 Richard Kunert, Salomi Asaridou & Tineke Snijders
Vertaald door Tineke Snijders & Katrien Segaert

Verder lezen?

Asaridou, S. S., & McQueen, J. M. (2013). Speech and music shape the listening brain: Evidence for shared domain-general mechanisms. Frontiers in Psychology, 4, 321. (link)

Kraus, N., & Chandrasekaran, B. (2010). Music training for the development of auditory skills. Nature reviews. Neuroscience, 11, 599–605. (link)

Patel, A. D. (in press). Can nonlinguistic musical training change the way the brain processes speech? The expanded opera hypothesis. Hearing Research. http://dx.doi.org/10.1016/j.heares.2013.08.011 (link)

Toon of verberg antwoordZijn er genen die zorgen dat sommige mensen beter zijn in het leren en spreken van talen?
Link & Share

Kinderen hebben het unieke en zeer mysterieuze vermogen om zonder expliciete uitleg of instructie spraak en taal te leren. Na slechts een paar jaar heeft een normaal kind een enorme woordenschat opgebouwd en kan het grammaticale regels toepassen bij het combineren van woorden tot een oneindig aantal mogelijke betekenisvolle zinnen. Voor het uitspreken van deze zinnen stuurt het kind de vele spieren van de spraakorganen met hoge snelheid en nauwkeurigheid aan. Aan de andere kant is een kind op deze jonge leeftijd al even goed in het ontcijferen van andermans uitingen. Lang werd gedacht dat het antwoord op de vraag hoe een jong kind hiertoe in staat is, te vinden is in ons DNA. Het menselijk genoom (DNA) bevat echter geen informatie over specifieke woorden of regels voor welke taal dan ook; ieder van ons moet blootgesteld worden aan een taal om die te kunnen leren. Een kind dat opgroeit tussen sprekers van het Nederlands, leert vloeiend Nederlands, maar wanneer hetzelfde kind in Japan zou opgroeien, zou het net zo gemakkelijk Japans leren spreken. Het is eerder zo dat onze genen helpen om hersenverbindingen aan te leggen die nodig zijn om de taal uit de sociale omgeving op te nemen.

2.15Genes

Lange tijd konden we slechts speculeren over de eventuele genetische bijdrage aan het taalverwervingsproces. Maar met de opkomst van moderne moleculaire technieken kunnen wetenschappers tegenwoordig individuele genen identificeren en bestuderen. Tot nu toe heeft het meeste van dit onderzoek zich gericht op het vinden van genen die de oorzaak zijn van stoornissen in de ontwikkeling van spraak en/of taal bij kinderen en volwassenen. Het gaat hierbij om stoornissen die niet verklaard kunnen worden door een andere oorzaak, zoals doofheid of een verstandelijke beperking. Uit dit onderzoek is duidelijk geworden dat er niet simpelweg één enkele factor is die hier een rol in speelt. In plaats daarvan zijn vele genen en hun onderlinge interacties verantwoordelijk voor ontwikkelingsstoornissen in taal en/of spraak. Sommige genen hebben een groter effect dan andere. Een voorbeeld van zo’n gen met een grote invloed is FOXP2, het eerste gen waarvan ontdekt is dat het betrokken is bij een erfelijke taal- en spraakstoornis. Als een kind een verstorende mutatie in dit ene gen draagt, is dat genoeg om ernstige problemen te veroorzaken bij het leren rangschikken van spraakklanken in de juiste volgorde. Iemand met zo’n mutatie draagt deze problemen zijn hele leven mee. In tegenstelling tot de zeldzame en ernstige mutaties in FOXP2, komt variatie in andere genen, zoals CNTNAP2, ATP2C2 of CMIP, veel vaker voor. Varianten van deze genen zorgen voor subtielere effecten. Zij vergroten de kans op taalproblemen slechts in lichte mate.

Hoewel er veel bekend is over de genetische varianten die tot taalproblemen leiden, is er weinig inzicht in de genetische effecten die kunnen verklaren waarom sommige 'gezonde' mensen beter of slechter zijn in het leren of verwerven van taal. Sommige genen die betrokken zijn bij taalstoornissen, zoals CNTNAP2, hebben ook effect op de taalontwikkeling en het talig functioneren van mensen zonder zulke stoornissen. Er is echter verder onderzoek nodig om de genen en hun varianten bloot te leggen die sommige mensen een ‘talenknobbel’ geven, maar andere mensen niet. Een belangrijke stap in dit onderzoek zou zijn om de nieuwste genoomtechnieken toe te passen en daarmee te kijken naar het andere uiterste van het sprectrum: mensen met een buitengewoon talent voor het verwerven of gebruiken van taal.

Katerina Kucera & Simon Fisher
Vertaald door Nadine de Rue & Lotte Schoot

Meer weten?

The Language Fossils Buried in Every Cell of Your Body. (link)

Graham S.A., Fisher, S.E. (2013). Decoding the genetics of speech and language. Current Opinion in Neurobiology, 23, 43-51. (link)

 

About MPI

This is the MPI

The Max Planck Institute for Psycholinguistics is an institute of the German Max Planck Society. Our mission is to undertake basic research into the psychological,social and biological foundations of language. The goal is to understand how our minds and brains process language, how language interacts with other aspects of mind, and how we can learn languages of quite different types.

The institute is situated on the campus of the Radboud University. We participate in the Donders Institute for Brain, Cognition and Behaviour, and have particularly close ties to that institute's Centre for Cognitive Neuroimaging. We also participate in the Centre for Language Studies. A joint graduate school, the IMPRS in Language Sciences, links the Donders Institute, the CLS and the MPI.

 
Vragen en Antwoorden

Stuur de onderzoekers van
het MPI een nieuwe vraag: 

Outlined font 1,5 pt wide cirkle 3 pt.

Dit project werd door Katrien 
Segaert,
Katerina Kucera en 
Judith Holler
 opgestart. 

Momenteel wordt dit project
gecoördineerd door:
Katerina Kucera
Sean Roberts
Agnieszka Konopka
Gwilym Lockwood
Connie de Vos

Vroegere leden:
Joost Rommers
Mark Dingemanse