You are here: Home Q&A Vragen en Antwoorden Hoe ontstaat dyslexie?

Vragen en Antwoorden

Questions and Answers English Fragen und Antworten Deutsch

Is er iets wat u altijd al hebt willen weten over taal? Wij hebben misschien het antwoord! Op deze pagina beantwoorden we vragen over taal die gesteld zijn door mensen die geen taalonderzoeker zijn. Heeft u een vraag over taal? Stuur ons uw vraag via deze link! Onderzoekers van het Max Planck Instituut zullen regelmatig vragen selecteren en nieuwe antwoorden publiceren. Bezoek ons dus opnieuw in de toekomst, want dan vindt u hier nieuwe antwoorden en komt u nog meer te weten over taal. 

Hoe ontstaat dyslexie?

Als een kind een normale algemene intelligentie heeft en een normaal algemeen zintuiglijk functioneren, maar toch grote moeite met het leren lezen of spellen, kan hij of zij gediagnosticeerd worden met dyslexie. Deze aandoening werd voor de eerste keer beschreven in de jaren 90 van de 19e eeuw en werd toen aangeduid als ‘aangeboren woordblindheid’, omdat men dacht dat het een gevolg was van een probleem in de verwerking van visuele symbolen. Later werd duidelijk dat visuele problemen niet kenmerkend zijn voor de meeste mensen met dyslexie. In veel gevallen spelen subtiele problemen met bepaalde aspecten van taal een rol in de problemen met het leren lezen en spellen. Wanneer het leert lezen, moet een kind leren begrijpen hoe gesproken woorden zijn opgebouwd uit kleinere individuele eenheden (fonemen). Daarnaast moet een kind vaardig worden in het combineren van deze fonemen met arbitraire geschreven symbolen (grafemen). Hoewel de algemene taalvaardigheid van mensen met dyslexie doorgaans normaal lijkt te zijn, presteren ze vaak slecht op testen die betrekking hebben op het manipuleren van fonemen en het verwerken van fonologie, zelfs wanneer deze testen niets te maken hebben met lezen of schrijven.

8.06_smaller

Dyslexie wordt gedefinieerd als een beperking in de leesvaardigheid. Toch is er niet één enkele, duidelijke oorzaak die dit kan verklaren. Daarom is het mogelijk dat 'dyslexie' niet één enkel syndroom is, maar dat het een cluster van verschillende aandoeningen vertegenwoordigt, waarbij verschillende mechanismen betrokken zijn. Echter, het is moeilijk om een heldere indeling in subtypes van dyslexie te maken. Onderzoek heeft uitgewezen dat een behoorlijk aantal gedragsmaten (niet slechts fonologische beperkingen) geassocieerd zijn met leesproblemen, hoewel er nog wordt gediscussieerd over hoe deze kenmerken samen een coherent beeld kunnen vormen. Om een voorbeeld van zo'n gedragsmaat te noemen: mensen met dyslexie zijn minder accuraat wanneer hun gevraagd wordt om snel achter elkaar een serie plaatjes met objecten of kleuren te benoemen. Sommige onderzoekers denken nu dat dyslexie het resultaat is van een combinatie van verschillende cognitieve beperkingen, die tegelijkertijd in dezelfde persoon optreden.

Omdat dyslexie in bepaalde families vaker voorkomt dan in andere, moeten erfelijke factoren een belangrijke rol spelen in iemands gevoeligheid voor dyslexie. Er bestaat niettemin geen twijfel over het feit dat de genetische basis complex en heterogeen is. Er zijn een groot aantal verschillende genen bij betrokken, maar elk van deze genen heeft slechts een kleine invloed. Bovendien is er een interactie tussen genen en de omgeving waarin een kind opgroeit. Onderzoekers zijn er al in geslaagd een aantal interessante kandidaatgenen te identificeren, zoals DYX1C1, KIAA0319, DCDC2 en ROBO1. Dankzij indrukwekkende verbeteringen in 'DNA sequencing technologie' zullen in de toekomst waarschijnlijk nog andere genen ontdekt worden. Wat er precies misgaat in de hersenen bij dyslexie is grotendeels onbekend. Volgens een prominente theorie treedt tijdens de vroege ontwikkeling van een kind een verstoring op in het proces waarbij hersencellen naar hun uiteindelijke positie bewegen; de zogenaamde neuronale migratie. Indirect bewijs voor deze hypothese is afkomstig van post-mortemonderzoek van menselijke hersenen en van onderzoek in ratten naar de functie van enkele kandidaatgenen. Toch zijn er nog veel open vragen die beantwoord moeten worden voordat we een volledig begrip hebben van de mechanismen die leiden tot dit moeilijk grijpbare syndroom.

Door Simon Fisher
Vertaald door Jan-Mathijs Schoffelen & Lotte Schoot

Verder lezen:

Carrion-Castillo, A., Franke, B., & Fisher, S. E. (2013). Molecular genetics of dyslexia: an overview. Dyslexia, 19, 214–240. (link)

Demonet J. F., Taylor M. J., & Chaix, Y. (2004). Developmental dyslexia. Lancet, 63, 1451–1460 (link)

Fisher, S. E. & Francks, C. (2006). Genes, cognition and dyslexia: learning to read the genome. Trends in Cognitive Science, 10, 250-257.(link)

Click to start the video on YouTube

About MPI

This is the MPI

The Max Planck Institute for Psycholinguistics is an institute of the German Max Planck Society. Our mission is to undertake basic research into the psychological,social and biological foundations of language. The goal is to understand how our minds and brains process language, how language interacts with other aspects of mind, and how we can learn languages of quite different types.

The institute is situated on the campus of the Radboud University. We participate in the Donders Institute for Brain, Cognition and Behaviour, and have particularly close ties to that institute's Centre for Cognitive Neuroimaging. We also participate in the Centre for Language Studies. A joint graduate school, the IMPRS in Language Sciences, links the Donders Institute, the CLS and the MPI.

 
Vragen en Antwoorden

Stuur de onderzoekers van
het MPI een nieuwe vraag: 

Outlined font 1,5 pt wide cirkle 3 pt.

Dit project werd door Katrien 
Segaert,
Katerina Kucera en 
Judith Holler
 opgestart. 

Momenteel wordt dit project
gecoördineerd door:
Katerina Kucera
Sean Roberts
Agnieszka Konopka
Gwilym Lockwood
Connie de Vos

Vroegere leden:
Joost Rommers
Mark Dingemanse