You are here: Home Q&A Vragen en Antwoorden Zijn er genen die zorgen dat sommige mensen beter zijn in het leren en spreken van talen?

Vragen en Antwoorden

Questions and Answers English Fragen und Antworten Deutsch

Is er iets wat u altijd al hebt willen weten over taal? Wij hebben misschien het antwoord! Op deze pagina beantwoorden we vragen over taal die gesteld zijn door mensen die geen taalonderzoeker zijn. Heeft u een vraag over taal? Stuur ons uw vraag via deze link! Onderzoekers van het Max Planck Instituut zullen regelmatig vragen selecteren en nieuwe antwoorden publiceren. Bezoek ons dus opnieuw in de toekomst, want dan vindt u hier nieuwe antwoorden en komt u nog meer te weten over taal. 

Zijn er genen die zorgen dat sommige mensen beter zijn in het leren en spreken van talen?

Kinderen hebben het unieke en zeer mysterieuze vermogen om zonder expliciete uitleg of instructie spraak en taal te leren. Na slechts een paar jaar heeft een normaal kind een enorme woordenschat opgebouwd en kan het grammaticale regels toepassen bij het combineren van woorden tot een oneindig aantal mogelijke betekenisvolle zinnen. Voor het uitspreken van deze zinnen stuurt het kind de vele spieren van de spraakorganen met hoge snelheid en nauwkeurigheid aan. Aan de andere kant is een kind op deze jonge leeftijd al even goed in het ontcijferen van andermans uitingen. Lang werd gedacht dat het antwoord op de vraag hoe een jong kind hiertoe in staat is, te vinden is in ons DNA. Het menselijk genoom (DNA) bevat echter geen informatie over specifieke woorden of regels voor welke taal dan ook; ieder van ons moet blootgesteld worden aan een taal om die te kunnen leren. Een kind dat opgroeit tussen sprekers van het Nederlands, leert vloeiend Nederlands, maar wanneer hetzelfde kind in Japan zou opgroeien, zou het net zo gemakkelijk Japans leren spreken. Het is eerder zo dat onze genen helpen om hersenverbindingen aan te leggen die nodig zijn om de taal uit de sociale omgeving op te nemen.

2.15Genes

Lange tijd konden we slechts speculeren over de eventuele genetische bijdrage aan het taalverwervingsproces. Maar met de opkomst van moderne moleculaire technieken kunnen wetenschappers tegenwoordig individuele genen identificeren en bestuderen. Tot nu toe heeft het meeste van dit onderzoek zich gericht op het vinden van genen die de oorzaak zijn van stoornissen in de ontwikkeling van spraak en/of taal bij kinderen en volwassenen. Het gaat hierbij om stoornissen die niet verklaard kunnen worden door een andere oorzaak, zoals doofheid of een verstandelijke beperking. Uit dit onderzoek is duidelijk geworden dat er niet simpelweg één enkele factor is die hier een rol in speelt. In plaats daarvan zijn vele genen en hun onderlinge interacties verantwoordelijk voor ontwikkelingsstoornissen in taal en/of spraak. Sommige genen hebben een groter effect dan andere. Een voorbeeld van zo’n gen met een grote invloed is FOXP2, het eerste gen waarvan ontdekt is dat het betrokken is bij een erfelijke taal- en spraakstoornis. Als een kind een verstorende mutatie in dit ene gen draagt, is dat genoeg om ernstige problemen te veroorzaken bij het leren rangschikken van spraakklanken in de juiste volgorde. Iemand met zo’n mutatie draagt deze problemen zijn hele leven mee. In tegenstelling tot de zeldzame en ernstige mutaties in FOXP2, komt variatie in andere genen, zoals CNTNAP2, ATP2C2 of CMIP, veel vaker voor. Varianten van deze genen zorgen voor subtielere effecten. Zij vergroten de kans op taalproblemen slechts in lichte mate.

Hoewel er veel bekend is over de genetische varianten die tot taalproblemen leiden, is er weinig inzicht in de genetische effecten die kunnen verklaren waarom sommige 'gezonde' mensen beter of slechter zijn in het leren of verwerven van taal. Sommige genen die betrokken zijn bij taalstoornissen, zoals CNTNAP2, hebben ook effect op de taalontwikkeling en het talig functioneren van mensen zonder zulke stoornissen. Er is echter verder onderzoek nodig om de genen en hun varianten bloot te leggen die sommige mensen een ‘talenknobbel’ geven, maar andere mensen niet. Een belangrijke stap in dit onderzoek zou zijn om de nieuwste genoomtechnieken toe te passen en daarmee te kijken naar het andere uiterste van het sprectrum: mensen met een buitengewoon talent voor het verwerven of gebruiken van taal.

Katerina Kucera & Simon Fisher
Vertaald door Nadine de Rue & Lotte Schoot

Meer weten?

The Language Fossils Buried in Every Cell of Your Body. (link)

Graham S.A., Fisher, S.E. (2013). Decoding the genetics of speech and language. Current Opinion in Neurobiology, 23, 43-51. (link)

 

About MPI

This is the MPI

The Max Planck Institute for Psycholinguistics is an institute of the German Max Planck Society. Our mission is to undertake basic research into the psychological,social and biological foundations of language. The goal is to understand how our minds and brains process language, how language interacts with other aspects of mind, and how we can learn languages of quite different types.

The institute is situated on the campus of the Radboud University. We participate in the Donders Institute for Brain, Cognition and Behaviour, and have particularly close ties to that institute's Centre for Cognitive Neuroimaging. We also participate in the Centre for Language Studies. A joint graduate school, the IMPRS in Language Sciences, links the Donders Institute, the CLS and the MPI.

 
Vragen en Antwoorden

Stuur de onderzoekers van
het MPI een nieuwe vraag: 

Outlined font 1,5 pt wide cirkle 3 pt.

Dit project werd door Katrien 
Segaert,
Katerina Kucera en 
Judith Holler
 opgestart. 

Momenteel wordt dit project
gecoördineerd door:
Katerina Kucera
Sean Roberts
Agnieszka Konopka
Gwilym Lockwood
Connie de Vos

Vroegere leden:
Joost Rommers
Mark Dingemanse