Displaying 1 - 3 of 3
  • Irizarri van Suchtelen, P. (2012). Dative constructions in the Spanish of heritage speakers in the Netherlands. In Z. Wąsik, & P. P. Chruszczewski (Eds.), Languages in contact 2011 (pp. 103-118). Wrocław: Philological School of Higher Education in Wrocław Publishing.

    Abstract

    Spanish can use dative as well as non-dative strategies to encode Possessors, Human Sources, Interestees (datives of interest) and Experiencers. In Dutch this optionality is virtually absent, restricting dative encoding mainly to the Recipient of a ditransitive. The present study examines whether this may lead to instability of the non-prototypical dative constructions in the Spanish of Dutch-Spanish bilinguals. Elicited data of 12 Chilean heritage informants from the Netherlands were analyzed. Whereas the evidence on the stability of dative Experiencers was not conclusive, the results indicate that the use of prototypical datives, dative External Possessors, dative Human Sources and datives of interest is fairly stable in bilinguals, except for those with limited childhood exposure to Spanish. It is argued that the consistent preference for non-dative strategies of this group was primarily attributable to instability of the dative clitic, which affected all constructions, even the encoding of prototypical indirect objects
  • Kouwenhoven, H., & Van Mulken, M. (2012). The perception of self in L1 and L2 for Dutch-English compound bilinguals. In N. De Jong, K. Juffermans, M. Keijzer, & L. Rasier (Eds.), Papers of the Anéla 2012 Applied Linguistics Conference (pp. 326-335). Delft: Eburon.
  • Peeters, D., Vanlangendonck, F., & Willems, R. M. (2012). Bestaat er een talenknobbel? Over taal in ons brein. In M. Boogaard, & M. Jansen (Eds.), Alles wat je altijd al had willen weten over taal: De taalcanon (pp. 41-43). Amsterdam: Meulenhoff.

    Abstract

    Wanneer iemand goed is in het spreken van meerdere talen, wordt wel gezegd dat zo iemand een talenknobbel heeft. Iedereen weet dat dat niet letterlijk bedoeld is: iemand met een talenknobbel herkennen we niet aan een grote bult op zijn hoofd. Toch dacht men vroeger wel degelijk dat mensen een letterlijke talenknobbel konden ontwikkelen. Een goed ontwikkeld taalvermogen zou gepaard gaan met het groeien van het hersengebied dat hiervoor verantwoordelijk was. Dit deel van het brein zou zelfs zo groot kunnen worden dat het van binnenuit tegen de schedel drukte, met name rond de ogen. Nu weten we wel beter. Maar waar in het brein bevindt de taal zich dan wel precies?

Share this page