In mijn rol als hoofd communicatie bij een wetenschappelijk instituut probeer ik beslissingen zoveel mogelijk op data te baseren. Door resultaten meetbaar te maken, kunnen we eindeloze, subjectieve discussies (“Ik haat oranje” versus “Laten we alles oranje maken”) achter ons laten en keuzes maken op basis van feiten. Het helpt mijn team ook om voortgang te volgen en ons werk continu te verbeteren.
Toch is er één vraag die zich lastig laat vangen in cijfers: hoe meet je wetenschappelijke impact? Wat maakt een wetenschapper écht briljant? Is dat het aantal publicaties, de prijzen die iemand wint, of de manier waarop ideeën onze kijk op de wereld veranderen?
Het meten van wetenschappelijke impact – en zeker van genialiteit – blijkt veel ingewikkelder dan het op het eerste gezicht lijkt.
De maatstaven waarop we vertrouwen
De moderne wetenschap leunt sterk op meetbare indicatoren. De bekendste zijn:
- Aantal citaties: hoe vaak een artikel door anderen wordt aangehaald
- H-index: een combinatie van productiviteit en citatie-impact
- Impactfactor van het tijdschrift: het (veronderstelde) prestige van waar het werk verschijnt
Deze maatstaven zijn aantrekkelijk omdat ze overzichtelijk, kwantitatief en schaalbaar zijn. Ze maken het voor selectiecommissies, subsidieverstrekkers en instellingen mogelijk om onderzoekers snel te vergelijken.
Maar daar wringt het: ze meten vooral aandacht, niet per se betekenis. Een artikel kan vaak geciteerd worden omdat het controversieel, gebrekkig of simpelweg populair is. Ondertussen kan echt baanbrekend werk jarenlang onder de radar blijven.
Het probleem van tijd
Wetenschappelijke genialiteit openbaart zich vaak pas na verloop van tijd. Sommige ideeën lopen ver vooruit op hun tijd en worden in eerste instantie genegeerd, verkeerd begrepen of zelfs afgewezen. Pas wanneer technologie of dominante denkkaders veranderen, krijgen ze de erkenning die ze verdienen, soms met enorme impact. Dat legt een belangrijk probleem bloot: kortetermijnmaatstaven onderschatten structureel langetermijninvloed.
Daar komt nog iets bij: niet alle bijdragen zijn hetzelfde. Sommige wetenschappers boeken gestaag incrementele vooruitgang, terwijl anderen zeldzame maar ingrijpende doorbraken realiseren. Beide zijn waardevol, maar traditionele maatstaven belonen vaak volume boven diepgang. Eén idee dat een vakgebied fundamenteel verandert, kan uiteindelijk belangrijker zijn dan tientallen kleinere bijdragen, maar ziet er in cijfers vaak minder “productief” uit.
Onzichtbare bijdragen
Wetenschappelijke impact gaat verder dan publicaties alleen. Denk bijvoorbeeld aan:
- Het ontwikkelen van essentiële tools of datasets
- Het begeleiden en opleiden van de volgende generatie onderzoekers
- Het vormgeven van nieuwe onderzoeksrichtingen
- Het stellen van de juiste, richtinggevende vragen
Dit soort bijdragen is moeilijk te kwantificeren, maar van grote waarde.
Daarnaast speelt context een belangrijke rol. Onderzoek gebeurt nooit in isolatie. Netwerken, instituties en timing maken verschil. Twee even briljante wetenschappers kunnen een totaal verschillende impact hebben, afhankelijk van factoren zoals:
- Toegang tot middelen
- Institutioneel prestige
- Samenwerkingskansen
- Vooroordelen binnen het systeem
Wat we meten als ‘impact’ is dus vaak verweven met maatschappelijke omstandigheden, niet alleen met intellectuele verdienste.
Het is precies om deze redenen dat initiatieven zoals de San Francisco Declaration on Research Assessment (DORA) zijn ontstaan. Door instellingen aan te moedigen verder te kijken dan tijdschriftstatistieken en bredere vormen van evaluatie te omarmen, groeit het besef dat we niet alleen anders moeten meten, maar ook opnieuw moeten bepalen wat we waardevol vinden.
Op weg naar betere maatstaven
Als de huidige indicatoren tekortschieten, hoe kan het dan beter? Enkele mogelijke richtingen zijn:
- Narratieve evaluatie: niet alleen cijfers, maar ook het verhaal achter iemands bijdrage meewegen
- Vakgebied-specifieke vergelijking: onderzoekers beoordelen binnen de context van hun discipline
- Langetermijnperspectief: impact meten over decennia in plaats van jaren
- Brede indicatoren: zoals softwaregebruik, beleidsinvloed, publieksbereik en onderwijsbijdragen
- Zorgvuldige peer review: beoordeling door experts, met aandacht voor het beperken van bias
Maar zelfs dan blijft de vraag: kunnen we genialiteit écht meten?
Mijn eerlijke antwoord: niet volledig. Genialiteit draait om originaliteit, inzicht en het vermogen te zien wat anderen niet zien. Dat laat zich moeilijk vangen in cijfers, en is vaak ook moeilijk te herkennen in het moment. Wat nieuw en ongewoon is, wordt immers sneller weggezet als irrelevant dan omarmd als waardevol.
Wat we wél kunnen doen, is benaderen. We kunnen verschillende, onvolmaakte signalen combineren: invloed op anderen, de levensduur van ideeën, en de mate waarin werk iets fundamenteel verandert. Vaak herkennen we genialiteit pas echt achteraf. Uiteindelijk gaat het dus niet alleen om het meten van impact, maar om het waarderen van de juiste vormen van impact.
Als we te zwaar leunen op eenvoudige meetcijfers, riskeren we dat we belonen wat zichtbaar, snel en populair is, in plaats van wat diepgaand, complex en blijvend is. Ironisch genoeg kan dat ertoe leiden dat we precies die briljantie missen die we proberen te identificeren.
In mijn werk balanceer ik dagelijks op dat spanningsveld. Ik gebruik data om richting te geven, impact inzichtelijk te maken en strategie te onderbouwen. Tegelijkertijd ben ik me voortdurend bewust van de beperkingen ervan. Mijn rol bevindt zich op het snijvlak van meten en vertellen: het vertalen van complexe, vaak langlopende wetenschappelijke bijdragen naar verhalen die nú resoneren, zonder ze te reduceren tot wat het makkelijkst te tellen is.
Misschien ligt de kern van het werk precies daar: in het vinden van de juiste balans tussen data en oordeel, tussen zichtbaarheid en diepgang.
Share this page