Als iemand je zou vragen: "Hoe laat sta je op?", hoe zou je dan antwoorden? Denk je dat je zou zeggen "Om acht uur" of gewoon "Acht uur"? Onderzoek heeft aangetoond dat je eerder geneigd bent om "Om acht uur" te zeggen wanneer de vraag het woordje om bevat. Als de vraag echter simpelweg luidt: "Hoe laat sta je op?", dan is de kans groter dat je antwoordt zonder om.
Op het eerste gezicht lijkt dit misschien een klein verschil in taalgebruik, maar het illustreert een veel bredere tendens: in gesprekken nemen we voortdurend elementen van elkaar over. Zoals in het voorbeeld hierboven kopiëren we vaak woorden of zinsstructuren die onze gesprekspartner heeft gebruikt. Daarnaast nemen we ook andere aspecten van communicatie over, zoals intonatie, oogcontact en handgebaren.
Dit soort herhaling komt zo vaak voor dat het een interessante vraag oproept: waarom doen we dit eigenlijk? Welke voordelen heeft het om dezelfde woorden, zinsstructuren en gebaren te gebruiken als onze gesprekspartner? In deze blog bespreken we twee manieren waarop het nabootsen van onze gesprekspartner de communicatie ondersteunt.
Het hergebruiken van woorden en structuren vergemakkelijkt het spreken
Een belangrijke reden waarom mensen elkaars woorden en zinsstructuren hergebruiken, is dat dit helpt bij het plannen van wat ze willen zeggen. Onderzoek heeft bijvoorbeeld aangetoond dat mensen afbeeldingen (zoals een afbeelding van een radio) sneller en nauwkeuriger benoemen nadat zij een zin hebben gehoord waarin dat woord voorkomt, zoals: "Helaas heeft hij de radio kapotgemaakt." Dit effect treedt op in vergelijking met situaties waarin zij een zin horen waarin de naam van een ander object voorkomt. Opmerkelijk is dat dit voordeel blijft bestaan, zelfs wanneer er vijf minuten zitten tussen het horen van de zin en het benoemen van de afbeelding.
Ook het hergebruiken van zinsstructuren blijkt de snelheid van reageren te vergroten. Wanneer iemand bijvoorbeeld de zin "De dief verkocht de verzamelaar een schilderij" hoort en vervolgens een afbeelding moet beschrijven, gaat dat sneller wanneer dezelfde zinsstructuur wordt gebruikt, zoals in: "Het meisje gaf de hond wat ijs", dan wanneer een andere structuur wordt gekozen, zoals: "Het meisje gaf wat ijs aan de hond."
Deze bevindingen suggereren dat het hergebruiken van woorden en zinsstructuren die eerder door een gesprekspartner zijn gebruikt, het plannen van spraak vergemakkelijkt. Daardoor kunnen mensen sneller reageren en verloopt de communicatie soepeler.
Gedeelde uitdrukkingen creëren door woorden en gebaren te herhalen
Een tweede functie van het hergebruiken van woorden is het creëren en onderhouden van gedeelde uitdrukkingen met een gesprekspartner. Tijdens gesprekken ontwikkelen mensen vaak gezamenlijke benamingen voor objecten of gebeurtenissen door deze herhaaldelijk te gebruiken.
Dit verschijnsel werd geïllustreerd in een klassiek onderzoek van Susan Brennan en Herbert Clark (1996). In hun studie beschreef een deelnemer geometrische figuren aan een gesprekspartner.
Deze figuur werd aanvankelijk omschreven als "een persoon die aan het schaatsen is, behalve dat hij twee armen voor zich uit steekt". Later werd deze beschrijving verkort tot "de schaatser met twee armen", en uiteindelijk volstond simpelweg "de schaatser". Naarmate het gesprek vorderde, werd de beschrijving dus steeds efficiënter omdat beide gesprekspartners dezelfde betekenis aan de term koppelden.
In 2011 bouwden Judith Holler en Katie Wilkin voort op dit onderzoek door te laten zien dat niet alleen woorden, maar ook handgebaren onderdeel kunnen worden van zulke gedeelde uitdrukkingen. Tijdens een beschrijftaak gebruikte een deelnemer bijvoorbeeld een specifiek armgebaar om een figuur uit te beelden. Toen dezelfde figuur later opnieuw werd besproken, gebruikte de gesprekspartner spontaan hetzelfde gebaar. Het gebaar werd daarmee een gedeeld communicatiemiddel dat de beschrijving efficiënter maakte.
Recente studies van Marlou Rasenberg, Aslı Özyürek, Sara Bögels en Mark Dingemanse laten zien dat de gelijktijdige herhaling van spraak en gebaren – ook wel multimodale afstemming genoemd – een belangrijke rol speelt bij het gezamenlijk creëren van betekenis. Hun onderzoek toont aan dat deze multimodale herhaling vooral aan het begin van interacties voorkomt, wanneer gesprekspartners een gemeenschappelijk referentiekader opbouwen.
Samen suggereren deze bevindingen dat het herhalen van woorden, zinsstructuren en handgebaren ons helpt om een gedeelde betekeniswereld met onze gesprekspartner te creëren.
Waarom kopiëren we elkaar?
Waarom nemen we elkaar zo vaak na tijdens gesprekken? Onderzoek laat zien dat het herhalen van woorden, zinsstructuren en handgebaren de communicatie efficiënter maakt. Het helpt ons niet alleen sneller te spreken, maar ook om gezamenlijk betekenis op te bouwen.
Let de volgende keer dat je een gesprek voert met vrienden, familie of collega's eens op hun taalgebruik en gebaren. Grote kans dat zij sommige van jouw woorden en bewegingen overnemen – en dat jij hetzelfde doet. Wat we zeggen en hoe we gebaren, blijkt vaak minder origineel te zijn dan we misschien denken.
References
Bartolozzi, F., Jongman, S. R., & Meyer, A. S. (2021). Concurrent speech planning does not eliminate repetition priming from spoken words: Evidence from linguistic dual-tasking. Journal of Experimental Psychology: Learning, Memory, and Cognition, 47(3), 466–480. https://doi.org/10.1037/xlm0000944
Brennan, S. E., & Clark, H. H. (1996). Conceptual pacts and lexical choice in conversation. Journal of Experimental Psychology: Learning, Memory, and Cognition, 22(6), 1482–1493. https://doi.org/10.1037/0278-7393.22.6.1482
Clark, H. H., & Wilkes-Gibbs, D. (1986). Referring as a collaborative process. Cognition, 22(1), 1–39. https://doi.org/10.1016/0010-0277(86)90010-7
Corley, M., & Scheepers, C. (2002). Syntactic priming in English sentence production: Categorical and latency evidence from an Internet-based study. Psychonomic Bulletin & Review, 9(1), 126–131. https://doi.org/10.3758/BF03196267
Holler, J., & Wilkin, K. (2011). Co-speech gesture mimicry in the process of collaborative referring during face-to-face dialogue. Journal of Nonverbal Behavior, 35(2), 133–153. https://doi.org/10.1007/s10919-011-0105-6
Levelt, W. J. M., & Kelter, S. (1982). Surface form and memory in question answering. Cognitive Psychology, 14(1), 78–106.
Rasenberg, M., Özyürek, A., Bögels, S., & Dingemanse, M. (2022). The primacy of multimodal alignment in converging on shared symbols for novel referents. Discourse Processes, 59(3), 209–236. https://doi.org/10.1080/0163853X.2021.1992235
Photo Credits
-
Girl with dog: https://www.freepik.com/free-photo/medium-shot-girl-feeding-dog_16688821.htm
-
Ice skater: Holler, J., & Wilkin, K. (2011). Co-speech gesture mimicry in the process of collaborative referring during face-to-face dialogue. Journal of Nonverbal Behavior, 35(2), 133–153. https://doi.org/10.1007/s10919-011-0105-6
Share this page