Als je tijd hebt doorgebracht met jonge kinderen, heb je ze waarschijnlijk wel eens dingen horen zeggen als "Ik loopte naar het park" of "Ze zwomde heel snel." Deze kleine foutjes horen bij hoe kinderen leren praten - maar ze onthullen ook iets diepers, over hoe ons brein taal opbouwt.
Wanneer kinderen een taal leren met onregelmatige werkwoorden, maken ze regelmatig dit soort fouten. Een Nederlands kind zegt dan bijvoorbeeld "helpte" in plaats van "hielp". Wat gebeurt er dan precies? Ze proberen een patroon toe te passen dat ze hebben opgepikt: in het Nederlands maak je de verleden tijd vaak door -te of -de toe te voegen, zoals "maak → maakte" of "leef → leefde". Maar als een werkwoord dat patroon niet volgt, zoals "helpen → hielp", passen kinderen toch de regelmatige vorm toe. Dat klinkt dan fout, maar het laat juist iets belangrijks zien: ze leren door patronen te zoeken.
Op het eerste gezicht lijkt het misschien alsof ze maar wat raden. Maar onderzoekers bestuderen deze fouten al decennialang en de werkelijkheid is veel fascinerender. Deze "fouten" zijn aanwijzingen die ons vertellen hoe kinderen de regels en patronen van hun taal stap voor stap ontdekken.
Twee theorieën
Sommige wetenschappers denken dat kinderen twee verschillende systemen gebruiken: één voor regelmatige werkwoorden zoals "speelde", en één voor onregelmatige zoals "liep" en "zong". Dit wordt de twee-routetheorie genoemd. Je kunt het zien alsof het brein twee aparte wegen heeft afhankelijk van het werkwoord. Anderen denken dat kinderen leren door veel voorbeelden op te slaan die ze horen, zoals "fietste" en "werkte", en daar patronen in ontdekken. Ze merken dat -te toevoegen de verleden tijd vormt. Dus als ze een werkwoord als "pakken" tegenkomen, passen ze hetzelfde patroon toe en zeggen "pakte". Maar dan proberen ze hetzelfde voor "roepen" en zeggen "roepte", zonder te beseffen dat "roepen" een uitzondering is. Naarmate ze "riep" vaker horen, beginnen ze te begrijpen dat "roepen" het patroon niet volgt. Dit is de enkelvoudige route, ook wel de ervaringsgerichte benadering genoemd.
Maar welke theorie je ook aanhangt, bijna iedereen is het erover eens: onregelmatige werkwoorden moet je leren, en sommige werkwoorden zijn moeilijker dan andere.
Maar waarom zijn sommige werkwoorden moeilijker?
Het raadsel van werkwoordmoeilijkheid
Om te begrijpen waarom sommige werkwoorden moeilijker te leren zijn dan andere, hebben onderzoekers verschillende eigenschappen van werkwoorden bekeken. Eén daarvan is hoe vaak een werkwoord voorkomt in alledaagse taal. "Ging" komt bijvoorbeeld veel vaker voor dan "spon", wat kan verklaren waarom kinderen het eerder leren. Een andere eigenschap is klankgelijkenis: zijn er andere werkwoorden die er hetzelfde uitzien en van invloed kunnen zijn op hoe een kind de verleden tijd raadt? Als een kind hoort dat de verleden tijd van "melken" "molk" is, past het misschien hetzelfde patroon toe op "helpen" en zegt "holp" in plaats van "hielp".
Onderzoekers hebben ook onderzocht of de betekenis van een werkwoord invloed heeft op hoe makkelijk het te leren is, en dan met name of het werkwoord een afgeronde handeling beschrijft of een voortdurende toestand. "Brak" verwijst naar een handeling met een duidelijk eindpunt: als iets gebroken is, is de gebeurtenis voorbij. "Wist" daarentegen beschrijft een toestand die onbepaald lang kan duren, zonder duidelijke grens. Dit verschil kan van invloed zijn op hoe kinderen werkwoorden mentaal indelen en grammaticaregels toepassen.
Klinkt als een solide plan, toch?
Maar er is een addertje onder het gras: de meeste onderzoeken gebruikten tot nu toe kleine datasets — vaak maar een handvol kinderen of een paar werkwoorden. Bovendien lag de focus meestal op het Engels. Dat maakt het lastig om te weten wat er echt aan de hand is. Als kinderen maar weinig fouten maken, is er voor wetenschappers simpelweg niet genoeg materiaal om te bestuderen. En als we alleen het Engels onderzoeken, missen we hoe dit proces werkt in talen met veel ingewikkelder werkwoordsystemen.
Een groter geheel
Om echt te begrijpen hoe kinderen de verleden tijd leren, vooral van onregelmatige werkwoorden, moeten we een stap terug doen en bredere vragen stellen. Wat gebeurt er in andere talen? Wat als we een grotere en gedetailleerdere blik konden werpen op de werkelijke leerpatronen van kinderen? Kunnen we uiteindelijk voorspellen met welke werkwoorden kinderen moeite zullen hebben, en waarom?
Dit zijn de vragen die een nieuwe golf van onderzoek aandrijven naar hoe kinderen leren praten over het verleden, niet alleen in het Engels, maar in talen over de hele wereld. Lees ons volgende artikel om meer te lezen over hoe kinderen Nederlands leren.
Want als een kind "loopte" zegt, maakt het geen fout. Het laat ons zien, stap voor stap, hoe taal wordt geleerd.
Literatuurlijst:
1. Ambridge, B., Kidd, E., Rowland, C. F., & Theakston, A. L. (2015). The ubiquity of frequency effects in first language acquisition. Journal of Child Language, 42(2), 239–273. https://doi.org/10.1017/S030500091400049X
2. Brinkhuis, M. J. S., Savi, A. O., Hofman, A. D., Coomans, F., Maas, H. L. J. van der, & Maris, G. (2018). Learning As It Happens: A Decade of Analyzing and Shaping a Large-Scale Online Learning System. Journal of Learning Analytics, 5(2), Article 2. https://doi.org/10.18608/jla.2018.52.3
3. Engelmann, F., Granlund, S., Kolak, J., Szreder, M., Ambridge, B., Pine, J., Theakston, A., & Lieven, E. (2019). How the input shapes the acquisition of verb morphology: Elicited production and computational modelling in two highly inflected languages. Cognitive Psychology, 110, 30–69. https://doi.org/10.1016/j.cogpsych.2019.02.001
4. Jeschull, L. (2007). The pragmatics of telicity and what children make of it. In Proceedings of the 2nd Conference on Generative Approaches to Language Acquisition North America, 180–187.
Share this page