Publications

Displaying 1 - 24 of 24
  • Broersma, M. (2005). Phonetic and lexical processing in a second language. PhD Thesis, Radboud University Nijmegen, Nijmegen. doi:10.17617/2.58294.

    Additional information

    Full Text (via Radboud)
  • Chen, J. (2008). The acquisition of verb compounding in Mandarin Chinese. PhD Thesis, Vrije Universiteit Amsterdam, Amsterdam.

    Abstract

    Seeing someone breaking a stick into two, an English speaks typically describes with a verb break, but a Mandarin speaker has to say bai1-duan4 ‘bend-be.broken’, a verb compound composed of two free verbs with each verb encoding one aspect of the breaking event. Verb compounding represents a typical and productive way to describe events of motion (e.g., zou3-chu1 ‘walk-exit’), and state change (e.g., bai1-duan4 ‘bendbe.broken’), the most common types of events that children of all languages are exposed to from an early age. Since languages vary in how events are linguistically encoded and categorized, the development of verb compounding provides a window to investigate the acquisition of form and meaning mapping for highly productive but constrained constructions and the interaction between children’s linguistic development and cognitive development. The theoretical analysis of verb compounds has been one of the central issues in Chinese linguistics, but the acquisition of this grammatical system has never been systematically studied. This dissertation constitutes the first in-depth study of this topic. It analyzes speech data from two longitudinal corpora as well as the data collected from five experiments on production and comprehension of verb compounds from children in P. R. China. It provides a description of the developmental process and unravels the complex learning tasks from the perspective of language production, comprehension, event categorization, and the interface of semantics and syntax. In showing how first-language learners acquire the Mandarin-specific way of representing and encoding causal events and motion events, this study has significance both for studies of language acquisition and for studies of cognition and event construal.
  • Dietrich, C. (2006). The acquisition of phonological structure: Distinguishing contrastive from non-contrastive variation. PhD Thesis, Radboud University Nijmegen, Nijmegen. doi:10.17617/2.57829.
  • Eisner, F. (2006). Lexically-guided perceptual learning in speech processing. PhD Thesis, Radboud University Nijmegen, Nijmegen. doi:10.17617/2.57407.

    Abstract

    During listening to spoken language, the perceptual system needs to adapt frequently to changes in talkers, and thus to considerable interindividual variability in the articulation of a given speech sound. This thesis investigated a learning process which allows listeners to use stored lexical representations to modify the interpretation of a speech sound when a talker's articulation of that sound is consistently unclear or ambiguous. The questions that were addressed in this research concerned the robustness of such perceptual learning, a potential role for sleep, and whether learning is specific to the speech of one talker or, alternatively, generalises to other talkers. A further study aimed to identify the underlying functional neuroanatomy by using magnetic resonance imaging methods. The picture that emerged for lexically-guided perceptual learning is that learning occurs very rapidly, is highly specific, and remains remarkably robust both over time and under exposure to speech from other talkers.
  • Essegbey, J. (1999). Inherent complement verbs revisited: Towards an understanding of argument structure in Ewe. PhD Thesis, Radboud University Nijmegen, Nijmegen. doi:10.17617/2.2057668.
  • Janssen, D. (1999). Producing past and plural inflections. PhD Thesis, Radboud University Nijmegen, Nijmegen. doi:10.17617/2.2057667.
  • Knudsen, B. (2012). Infants’ appreciation of others’ mental states in prelinguistic communication. PhD Thesis, Radboud University Nijmegen, Nijmegen.

    Abstract

    Als volwassenen interpreteren we het gedrag van anderen doorgaans door het toeschrijven van mentale toestanden, bijvoorbeeld geloofsovertuigingen. Deze eigenschap wordt ook wel ’theory of mind’ genoemd of meer algemeen ’mindreading’. Uit onderzoek van de laatse 30 jaar blijkt dat deze vaardigheid rond het vierde levensjaar aanwezig is (Wellman et al., 2001). Echter, recente studies die kijkgedrag hebben gemeten, suggereren dat theory of mind-vaardigheden al veel vroeger aanwezig zijn (e.g. Kovács, Téglás & Endress, 2010; Onishi & Baillargeon, 2005; Southgate, Senju, Csibra, 2007; Surian, Caldi & Sperber, 2007). Deze studies hebben aangetoond dat kinderen al in hun tweede levensjaar gevoelig zijn voor verschillende mentale toestanden van anderen zoals bijvoorbeeld juiste aannames (true beliefs), onjuiste aanames (false beliefs) en onwetendheid (ignorance). Een beperking van deze studies (en hun interpretaties) is echter dat ze uitsluitend gericht zijn op het cognitieve vermogen van het kind om informatie te verwerken. De kinderen in deze studies hebben alleen passief naar anderen gekeken, maar hebben zelf niet actief meegedaan. Het doel van dit proefschrift is te onderzoeken of kinderen in hun tweede levensjaar hun gevoeligheid voor de mentale toestanden van anderen ook actief kunnen gebruiken als ze met iemand anders interacteren, namelijk in sociale interacties. De vraag is in het bijzonder of kinderen in staat zijn om hun sensitiviteit voor wat anderen weten of niet weten (de mentale toestand) expliciet te maken door wel of niet te wijzen naar dingen die binnen de interactie relevant waren, zoals speelgoed. In de eerste studie is onderzocht of kinderen van 18 en 24 maanden oud de onderzoekster informeren over de verplaatsing van een stuk speelgoed, afhankelijk van haar mentale toestand (dat wil zeggen, de onderzoekster weet dat het speelgoed verplaatst is versus ze weet het niet) en haar intentie (de onderzoekster wilde spelen met het speelgoed of ze wilde schoonmaken). Uit de resultaten blijkt dat kinderen in beide leeftijdsgroepen de onderzoekster informeren over de verplaatsing van het speelgoed door te wijzen naar de nieuwe plek – maar alleen als de onderzoekster niet weet dat het verplaatst is. Ook als het niet de intentie van de onderzoekster is om met het speelgoed te gaan spelen (maar in plaats daarvan schoon te maken), informeren de kinderen haar niet over de verplaatsing. Dit toont aan dat kinderen van 18 maanden in hun communicatie rekenig houden met de intenties van de ander en met wat de ander wel of niet weet (de mentale toestand). In de tweede studie is onderzocht of 12 en 18 maanden oude kinderen de onderzoekster waarschuwen over de verplaatsing van een aversief voorwerp. Tijdens het onderzoek speelde de onderzoekster met een knikkerbaan, vond daarbij een vies voorwerp en ruimde het op. Vervolgens werd het voorwerp door een tweede onderzoekster weer teruggelegd, toevallig op dezelfde plaats als voorheen. Dan keert de eerste onderzoeker weer terug en wil doorgaan met spelen. De resultaten laten zien dat beide leeftijdsgroepen naar het vieze voorwerp wijzen indien de onderzoekster niet weet dat het voorwerp weer terug werd gelegd. Echter, de kinderen wijzen significant minder naar het voorwerp als de onderzoekster weet dat het aversieve voorwerp terug werd gelegd of als de onderzoekster het voorwerp niet vies vond maar juist positief waardeerde: ze vond het mooi of zacht. Deze resultaten laten zien dat kinderen niet alleen hun reacties aanpassen aan wat hun interactiepartner wel of niet weet, maar dat ze daarnaast ook rekening houden met de emotionele houding (positieve of negatieve waardering) van hun interactiepartner. In de derde en laatste studie werd specifiek gekeken naar de mentale toestand ’onjuiste aanname’ (false belief) in vergelijking met ’onwetendheid’ (ignorance). Het onderzoek begint met een onderzoekster die met een speelgoed speelt in twee dozen die naast de tafel staan. Voordat ze even weggaat, ruimt ze een vies voorwerp op en laat ze haar speelgoed op één van twee dozen achter. Tijdens haar afwezigheid komt een tweede onderzoekster, neemt het speelgoed mee en plaatst tijdens het schoonmaken in beide dozen een vies voorwerp en gaat weer weg. Als de tweede onderzoekster weg is komt de eerste onderzoekster weer binnen en wil doorgaan met spelen. De vraag is of 18 maanden oude kinderen de onderzoekster informeren over het vies voorwerp in de doos waarin ze haar speelgoed verwacht. Het blijkt dat kinderen bij terugkomst van de onderzoekster inderdaad vooral naar het vies voorwerp in de doos wijzen waarop de onderzoekster denkt haar speelgoed weer te kunnen pakken. Echter, wanneer de onderzoekster vlak voor ze weggaat het speelgoed aan de tweede onderzoekster overhandigt (en dus onwetend is over waar het speelgoed precies geplaatst gaat worden), wijzen de kinderen bij terugkomst naar de viese voorwerpen in beide dosen even vaak. Dit laat zien dat kinderen een verschil maken tussen onjuiste aannames (false belief) en onwetendheid (ignorance) en dat ze dienovereenkomstig reageren. Samenvattend laat dit proefschrift zien dat kinderen onderscheid maken tussen een interactiepartner die een ‘false belief‘ of een ‘true belief‘ heeft of ‘ignorant‘ is en bovendien dat ze hiermee gepast om kunnen gaan door behulpzame informatie te verstrekken. Deze resultaten zijn echter niet goed te verklaren vanuit cognitieve informatieverwerkingstheorieën. De bevinding dat kinderen hun gevoeligheid voor mentale toestanden van anderen ook spontaan kunnen gebruiken in verschillende communikatieve situaties, zoals alledrie de studies uitwijzen, bewijst dat sociale processen een cruciale rol spelen in de ontwikkeling van theory of mind vaardigheden.
  • Kuperman, V. (2008). Lexical processing of morphologically complex words: An information-theoretical perspective. PhD Thesis, Radboud University Nijmegen, Nijmegen.
  • Lüpke, F. (2005). A grammar of Jalonke argument structure. PhD Thesis, Radboud University Nijmegen, Nijmegen. doi:10.17617/2.59381.

    Additional information

    Full Text (via Radboud)
  • Margetts, A. (1999). Valence and transitivity in Saliba: An Oceanic language of Papua New Guinea. PhD Thesis, Radboud University Nijmegen, Nijmegen. doi:10.17617/2.2057646.
  • Müller, O. (2006). Retrieving semantic and syntactic word properties: ERP studies on the time course in language comprehension. PhD Thesis, Radboud University Nijmegen, Nijmegen. doi:10.17617/2.57543.

    Abstract

    The present doctoral thesis investigates the temporal characteristics of the retrieval of semantic and syntactic word properties in language comprehension. In particular, an attempt is made to assess the retrieval order of semantic category and grammatical gender information, using the lateralized readiness potential and the inhibition-related N2 effect. Chapter 1 contains a general introduction. Chapter 2 reports an experiment that employs the two-choice go/nogo task in combination with EEG recordings to establish the retrieval order of semantic category and grammatical gender for written words presented in isolation. The results point to a time course where semantic information becomes available before syntactic information. Chapter 3 focuses on the retrieval of grammatical gender. In order to examine whether gender retrieval can be speeded up by context, nouns are presented in gender congruent and gender incongruent prime-target pairs and reaction times for gender decisions are measured. For stimulus onset asynchronies of 100 ms and 0 ms, gender congruent pairs show faster responses than incongruent ones, whereas there is no effect of gender congruity for a stimulus onset asynchrony of 300 ms. A simulation with a localist computational model that implements competition between gender representations (WEAVER; Roelofs, 1992) is able to capture these findings. In chapter 4, the gender congruency manipulation is transferred to another ERP experiment with the two-choice go/nogo task. As the time course of gender retrieval is altered through primes, the order relative to semantic category retrieval is assessed again. The results indicate that with gender congruent primes, grammatical gender becomes available before semantic category. Such a reversal of retrieval order, as compared to chapter 2, implies a parallel rather than a serial discrete arrangement of the retrieval processes, since the latter variant precludes changes in retrieval order. Finally, chapter 5 offers a summary and general discussion of the main findings.

    Additional information

    Full Text (via Radboud)
  • Özdemir, R. (2006). The relationship between spoken word production and comprehension. PhD Thesis, Radboud University Nijmegen, Nijmegen. doi:10.17617/2.59239.
  • Rossano, F. (2012). Gaze behavior in face-to-face interaction. PhD Thesis, Radboud University Nijmegen, Nijmegen.

    Abstract

    Wat doen onze ogen als we met andere mensen praten? In zijn proefschrift beschrijft Federico Rossano hoe mensen hun ogen gebruiken tijdens face-to-face interacties. Onze oogbewegingen blijken opvallend geordend en voorspelbaar: zo is het bijvoorbeeld mogelijk om met uitsluitend de ogen een reactie uit te lokken als de gesprekspartner niet direct reageert. Ook wanneer bijvoorbeeld een vraag-antwoordreeks ten einde loopt, coördineren gespreksdeelnemers hun oogbewegingen op een specifieke manier. Daarnaast heeft luisteren naar een verhaal of luisteren naar een vraag verschillende implicaties voor oogbewegingen. Dit proefschrift bevat daarom belangrijke informatie voor experts op het gebied van kunstmatige intelligentie en computerwetenschappers: de voorspelbaarheid en reproduceerbaarheid van natuurlijke oogbewegingen kan onder andere gebruikt worden bij de ontwikkeling van robots of avatars.
  • Salverda, A. P. (2005). Prosodically-conditioned detail in the recognition of spoken words. PhD Thesis, Radboud University Nijmegen, Nijmegen. doi:10.17617/2.57311.

    Abstract

    The research presented in this dissertation examined the influence of prosodically-conditioned detail on the recognition of spoken words. The main finding is that subphonemic information in the speech signal that is conditioned by constituent-level prosodic structure can affect lexical processing systematically. It was shown that such information, as indicated by and estimated from the lengthening of speech sounds in the vicinity of prosodic boundaries, can help listeners to distinguish onset-embedded words (e.g. 'ham') from longer words that have this word embedded at their onset (e.g. 'hamster'). Furthermore, it was shown that variation in the realization of a spoken word that is associated with its position in the prosodic structure of an utterance can effect lexical processing. The pattern of competitor activation associated with the recognition of a monosyllabic spoken word in utterance-final position, where the realization of the word is strongly affected by the utterance boundary, is different from that associated with the recognition of the same word in utterance-medial position, where the realization of the word is less strongly affected by the following prosodic-word boundary. Taken together, the findings attest to the extraordinary sensitivity of the spoken-word recogntion system by demonstrating the relevance for lexical processing of very fine-grained phonetic detail conditioned by prosodic structure.

    Additional information

    Full Text (via Radboud)
  • Segaert, K. (2012). Structuring language: Contributions to the neurocognition of syntax. PhD Thesis, Radboud University, Nijmegen, the Netherlands.

    Abstract

    Sprekers hebben een sterke neiging om syntactische structuren te hergebruiken in nieuwe zinnen. Wanneer we een situatie beschrijven met een passieve zin bijvoorbeeld: 'De vrouw wordt begroet door de man', zullen we voor de beschrijving van een nieuwe situatie gemakkelijker opnieuw een passieve zin gebruiken. Vooral bij moeilijke syntactische structuren is de neiging om ze te hergebruiken erg sterk. Voor gemakkelijke zinsconstructies geldt dat minder. Maar als deze toch hergebruikt worden dan gaat dit samen met een sneller initiëren van de beschrijving. Ook in het brein zien we dat het herhalen van syntactische structuren de verwerking ervan vergemakkelijkt. Bepaalde hersengebieden die zorgen voor de verwerking van syntactische structuren zijn zeer actief de eerste keer dat een syntactische structuur wordt verwerkt, en minder actief de tweede keer. Het gaat hier om een gebiedje in de frontaalkwab en een gebiedje in de temporaalkwab. Opvallend is ook dat deze gebieden de verwerking van syntactische structuren ondersteunen zowel tijdens het spreken als tijdens het luisteren.
  • Seifart, F. (2005). The structure and use of shape-based noun classes in Miraña (North West Amazon). PhD Thesis, Radboud University Nijmegen, Nijmegen. doi:10.17617/2.60378.

    Abstract

    Miraña, an endangered Witotoan language spoken in the Colombian Amazon region, has an inventory of over 60 noun class markers, most of which denote the shape of nominal referents. Class markers in this language are ubiquitous in their uses for derivational purposes in nouns and for agreement marking in virtually all other nominal expressions, such as pronouns, numerals, demonstratives, and relative clauses, as well as in verbs. This study provides a comprehensive analysis of this system by giving equal attention to its morphosyntactic, semantic, and discourse-pragmatic properties. The particular properties of this system raise issues in a number of ongoing theoretical discussions, in particular the typology of systems of nominal classification and the typology of reference tracking.

    Additional information

    Full Text (via Radboud)
  • Seyfeddinipur, M. (2006). Disfluency: Interrupting speech and gesture. PhD Thesis, Radboud University Nijmegen, Nijmegen. doi:10.17617/2.59337.
  • Shatzman, K. B. (2006). Sensitivity to detailed acoustic information in word recognition. PhD Thesis, Radboud University Nijmegen, Nijmegen. doi:10.17617/2.59331.
  • Van der Lugt, A. (1999). From speech to words. PhD Thesis, Radboud University Nijmegen, Nijmegen. doi:10.17617/2.2057645.
  • Van de Weijer, J. (1999). Language input for word discovery. PhD Thesis, Radboud University Nijmegen, Nijmegen. doi:10.17617/2.2057670.
  • De Vos, C. (2012). Sign-spatiality in Kata Kolok: How a village sign language in Bali inscribes its signing space. PhD Thesis, Radboud University Nijmegen, Nijmegen.

    Abstract

    In a small village in the north of Bali called Bengkala, relatively many people inherit deafness. The Balinese therefore refer to this village as Desa Kolok, which means 'deaf village'. Connie de Vos studied Kata Kolok, the sign language of this village, and the ways in which the language recruits space to talk about both spatial and non-spatial matters. he small village community Bengkala in the north of Bali has almost 3,000 inhabitants. Of all the inhabitants, 57% use sign language, with varying degrees of fluency. But of this signing community (between 1,200 and 1,800 signers, depending on your definition of 'signer'), only 4% are deaf. So, not only do the deaf people of Bengkala use the sign language Kata Kolok, but also the majority of the hearing population. "I've worked with deaf people from all over Asia, Europe, and also some signers in America," says Connie de Vos of MPI's Language and Cognition Department, and Centre for Language Studies (RU). "What sets apart this particular deaf village is that deaf individuals are highly integrated within the village clans. There is really a huge proportion of hearing signers." The sign language currently functions in all major aspects of village life and has been acquired from birth by multiple generations of deaf, native signers. According to De Vos, Kata Kolok is a fully-fledged sign language in every sense of the word. As a collaborative project, she has initiated inclusive deaf education within the village and now Kata Kolok is used as the primary language of instruction. De Vos' primary finding is that Kata Kolok discourse uses a different system of referring to space than other sign languages. Spatial relations are represented by a so-called "absolute frame of reference", based on geographic locations and wind directions. "All sign languages, as we know, use relative constructions for spatial relations. They use signs comparable to words like 'left' and 'right' instead of 'east' and 'west'. Kata Kolok does the latter. Kata Kolok signers appear to have an internal compass to continually register their position in space."De Vos is the first sign linguist who has documented Kata Kolok extensively. She spent more than a year in the village and collected over a hundred hours of video material of spontaneous conversations. "One of the things I've noticed is that language doesn't really emerge out of nothing," she says. "Signers adopt a local gesture system and transform it into a new and much more systematic sign language. A lot of the signs refer to concepts they're familiar with. That's why hearing signers have no difficulties in picking up Kata Kolok. Kata Kolok unites the hearing and the deaf.
  • Wagner, A. (2008). Phoneme inventories and patterns of speech sound perception. PhD Thesis, Radboud University Nijmegen, Nijmegen.
  • Wassenaar, M. (2005). Agrammatic comprehension: An electrophysiological approach. PhD Thesis, Radboud University Nijmegen, Nijmegen. doi:10.17617/2.60340.

    Abstract

    This dissertation focuses on syntactic comprehension problems in patients with Broca's aphasia from an electrophysiological perspective. The central objective of this dissertation was to further explore what syntax-related event-related brain potential (ERP) effects can reveal about the nature of the deficit that underlies syntactic comprehension problems in patients with Broca's aphasia. Chapter two to four describe experiments in which event-related brain potentials were recorded while subjects (Broca patients, non-aphasic patients with a right-hemisphere lesion, and healthy elderly controls) were presented with sentences that contained either violations of syntactic constraints or were syntactically correct. Chapter two investigates ERP effects of subject-verb agreement violations in the different subject groups, and seeks to answer the following questions: Do agrammatic comprehenders show sensitivity to subject-verb agreement violations as indicated by a syntax-related ERP effect? In addition, does the severity of the syntactic comprehension impairment in the Broca patients affect the ERP responses? Chapter three describes an investigation of whether Broca patients show sensitivity to violations of word order as indicated by a syntax-related ERP effect, and whether the ERP responses in the Broca patients are affected by the severity of their syntactic comprehension impairment. Chapter four reports on ERP effects of violations of word-category. In addition, also a semantic violation condition was added to track possible dissociations in the sensitivity to semantic and syntactic information in the Broca patients. Chapter five describes the development of a paradigm in which the electrophysiological approach and the classical sentence-picture matching approach are combined. In this chapter, the ERP method is applied to study on-line thematic role assignment in Broca patients during sentence-picture matching. Also the relation between ERP effects and behavioral responses is pursued. Finally, Chapter 6 provides a summary of the main findings of the experiments and a general discussion.

    Additional information

    Full Text (via Radboud)
  • Wegener, C. (2008). A grammar of Savosavo: A Papuan language of the Solomon Islands. PhD Thesis.

Share this page