Publications

Displaying 1 - 23 of 23
  • Basnakova, J. (2019). Beyond the language given: The neurobiological infrastructure for pragmatic inferencing. PhD Thesis, Radboud University Nijmegen, Nijmegen.
  • Drijvers, L. (2019). On the oscillatory dynamics underlying speech-gesture integration in clear and adverse listening conditions. PhD Thesis, Radboud University Nijmegen, Nijmegen.
  • Fairs, A. (2019). Linguistic dual-tasking: Understanding temporal overlap between production and comprehension. PhD Thesis, Radboud University Nijmegen, Nijmegen.
  • Hömke, P. (2019). The face in face-to-face communication: Signals of understanding and non-understanding. PhD Thesis, Radboud University Nijmegen, Nijmegen.
  • Huisman, J. L. A. (2021). Variation in form and meaning across the Japonic language family: With a focus on the Ryukyuan languages. PhD Thesis, Radboud University Nijmegen, Nijmegen.
  • De Jong, N. H. (2002). Morphological families in the mental lexicon. PhD Thesis, University of Nijmegen, Nijmegen. doi:10.17617/2.57697.

    Abstract

    Words can occur as constituents of other words. Some words have a high morphological productivity, in that they occur in many complex words, whereas others are morphological islands. Previous studies have found that the size of a word's morphological family can co-determine response latencies in lexical decision tasks. This thesis shows, using lexical decision as well as otherexperimental tasks, that the effect of family size is a semantic effect,reflecting the spreading of activation in the mental lexicon along the lines of morphological and semantic relatedness between words.

    Additional information

    Full Text (via Radboud)
  • Kaufeld, G. (2021). Investigating spoken language comprehension as perceptual inference. PhD Thesis, Radboud University Nijmegen, Nijmegen.
  • Knudsen, B. (2012). Infants’ appreciation of others’ mental states in prelinguistic communication. PhD Thesis, Radboud University Nijmegen, Nijmegen.

    Abstract

    Als volwassenen interpreteren we het gedrag van anderen doorgaans door het toeschrijven van mentale toestanden, bijvoorbeeld geloofsovertuigingen. Deze eigenschap wordt ook wel ’theory of mind’ genoemd of meer algemeen ’mindreading’. Uit onderzoek van de laatse 30 jaar blijkt dat deze vaardigheid rond het vierde levensjaar aanwezig is (Wellman et al., 2001). Echter, recente studies die kijkgedrag hebben gemeten, suggereren dat theory of mind-vaardigheden al veel vroeger aanwezig zijn (e.g. Kovács, Téglás & Endress, 2010; Onishi & Baillargeon, 2005; Southgate, Senju, Csibra, 2007; Surian, Caldi & Sperber, 2007). Deze studies hebben aangetoond dat kinderen al in hun tweede levensjaar gevoelig zijn voor verschillende mentale toestanden van anderen zoals bijvoorbeeld juiste aannames (true beliefs), onjuiste aanames (false beliefs) en onwetendheid (ignorance). Een beperking van deze studies (en hun interpretaties) is echter dat ze uitsluitend gericht zijn op het cognitieve vermogen van het kind om informatie te verwerken. De kinderen in deze studies hebben alleen passief naar anderen gekeken, maar hebben zelf niet actief meegedaan. Het doel van dit proefschrift is te onderzoeken of kinderen in hun tweede levensjaar hun gevoeligheid voor de mentale toestanden van anderen ook actief kunnen gebruiken als ze met iemand anders interacteren, namelijk in sociale interacties. De vraag is in het bijzonder of kinderen in staat zijn om hun sensitiviteit voor wat anderen weten of niet weten (de mentale toestand) expliciet te maken door wel of niet te wijzen naar dingen die binnen de interactie relevant waren, zoals speelgoed. In de eerste studie is onderzocht of kinderen van 18 en 24 maanden oud de onderzoekster informeren over de verplaatsing van een stuk speelgoed, afhankelijk van haar mentale toestand (dat wil zeggen, de onderzoekster weet dat het speelgoed verplaatst is versus ze weet het niet) en haar intentie (de onderzoekster wilde spelen met het speelgoed of ze wilde schoonmaken). Uit de resultaten blijkt dat kinderen in beide leeftijdsgroepen de onderzoekster informeren over de verplaatsing van het speelgoed door te wijzen naar de nieuwe plek – maar alleen als de onderzoekster niet weet dat het verplaatst is. Ook als het niet de intentie van de onderzoekster is om met het speelgoed te gaan spelen (maar in plaats daarvan schoon te maken), informeren de kinderen haar niet over de verplaatsing. Dit toont aan dat kinderen van 18 maanden in hun communicatie rekenig houden met de intenties van de ander en met wat de ander wel of niet weet (de mentale toestand). In de tweede studie is onderzocht of 12 en 18 maanden oude kinderen de onderzoekster waarschuwen over de verplaatsing van een aversief voorwerp. Tijdens het onderzoek speelde de onderzoekster met een knikkerbaan, vond daarbij een vies voorwerp en ruimde het op. Vervolgens werd het voorwerp door een tweede onderzoekster weer teruggelegd, toevallig op dezelfde plaats als voorheen. Dan keert de eerste onderzoeker weer terug en wil doorgaan met spelen. De resultaten laten zien dat beide leeftijdsgroepen naar het vieze voorwerp wijzen indien de onderzoekster niet weet dat het voorwerp weer terug werd gelegd. Echter, de kinderen wijzen significant minder naar het voorwerp als de onderzoekster weet dat het aversieve voorwerp terug werd gelegd of als de onderzoekster het voorwerp niet vies vond maar juist positief waardeerde: ze vond het mooi of zacht. Deze resultaten laten zien dat kinderen niet alleen hun reacties aanpassen aan wat hun interactiepartner wel of niet weet, maar dat ze daarnaast ook rekening houden met de emotionele houding (positieve of negatieve waardering) van hun interactiepartner. In de derde en laatste studie werd specifiek gekeken naar de mentale toestand ’onjuiste aanname’ (false belief) in vergelijking met ’onwetendheid’ (ignorance). Het onderzoek begint met een onderzoekster die met een speelgoed speelt in twee dozen die naast de tafel staan. Voordat ze even weggaat, ruimt ze een vies voorwerp op en laat ze haar speelgoed op één van twee dozen achter. Tijdens haar afwezigheid komt een tweede onderzoekster, neemt het speelgoed mee en plaatst tijdens het schoonmaken in beide dozen een vies voorwerp en gaat weer weg. Als de tweede onderzoekster weg is komt de eerste onderzoekster weer binnen en wil doorgaan met spelen. De vraag is of 18 maanden oude kinderen de onderzoekster informeren over het vies voorwerp in de doos waarin ze haar speelgoed verwacht. Het blijkt dat kinderen bij terugkomst van de onderzoekster inderdaad vooral naar het vies voorwerp in de doos wijzen waarop de onderzoekster denkt haar speelgoed weer te kunnen pakken. Echter, wanneer de onderzoekster vlak voor ze weggaat het speelgoed aan de tweede onderzoekster overhandigt (en dus onwetend is over waar het speelgoed precies geplaatst gaat worden), wijzen de kinderen bij terugkomst naar de viese voorwerpen in beide dosen even vaak. Dit laat zien dat kinderen een verschil maken tussen onjuiste aannames (false belief) en onwetendheid (ignorance) en dat ze dienovereenkomstig reageren. Samenvattend laat dit proefschrift zien dat kinderen onderscheid maken tussen een interactiepartner die een ‘false belief‘ of een ‘true belief‘ heeft of ‘ignorant‘ is en bovendien dat ze hiermee gepast om kunnen gaan door behulpzame informatie te verstrekken. Deze resultaten zijn echter niet goed te verklaren vanuit cognitieve informatieverwerkingstheorieën. De bevinding dat kinderen hun gevoeligheid voor mentale toestanden van anderen ook spontaan kunnen gebruiken in verschillende communikatieve situaties, zoals alledrie de studies uitwijzen, bewijst dat sociale processen een cruciale rol spelen in de ontwikkeling van theory of mind vaardigheden.
  • Lopopolo, A. (2021). Properties, structures and operations: Studies on language processing in the brain using computational linguistics and naturalistic stimuli. PhD Thesis, Radboud University Nijmegen, Nijmegen.
  • Maslowski, M. (2019). Fast speech can sound slow: Effects of contextual speech rate on word recognition. PhD Thesis, Radboud University Nijmegen, Nijmegen.
  • Mauth, K. (2002). Morphology in speech comprehension. PhD Thesis, University of Nijmegen, Nijmegen. doi:10.17617/2.60024.

    Additional information

    Full Text (via Radboud)
  • Mickan, A. (2021). What was that Spanish word again? Investigations into the cognitive mechanisms underlying foreign language attrition. PhD Thesis, Radboud University Nijmegen, Nijmegen.
  • Nijveld, A. (2019). The role of exemplars in speech comprehension. PhD Thesis, Radboud University Nijmegen, Nijmegen.
  • Redl, T. (2021). Masculine generic pronouns: Investigating the processing of an unintended gender cue. PhD Thesis, Radboud University Nijmegen, Nijmegen.
  • Rojas-Berscia, L. M. (2019). From Kawapanan to Shawi: Topics in language variation and change. PhD Thesis, Radboud University Nijmegen, Nijmegen.
  • Rossano, F. (2012). Gaze behavior in face-to-face interaction. PhD Thesis, Radboud University Nijmegen, Nijmegen.

    Abstract

    Wat doen onze ogen als we met andere mensen praten? In zijn proefschrift beschrijft Federico Rossano hoe mensen hun ogen gebruiken tijdens face-to-face interacties. Onze oogbewegingen blijken opvallend geordend en voorspelbaar: zo is het bijvoorbeeld mogelijk om met uitsluitend de ogen een reactie uit te lokken als de gesprekspartner niet direct reageert. Ook wanneer bijvoorbeeld een vraag-antwoordreeks ten einde loopt, coördineren gespreksdeelnemers hun oogbewegingen op een specifieke manier. Daarnaast heeft luisteren naar een verhaal of luisteren naar een vraag verschillende implicaties voor oogbewegingen. Dit proefschrift bevat daarom belangrijke informatie voor experts op het gebied van kunstmatige intelligentie en computerwetenschappers: de voorspelbaarheid en reproduceerbaarheid van natuurlijke oogbewegingen kan onder andere gebruikt worden bij de ontwikkeling van robots of avatars.
  • Schubotz, L. (2021). Effects of aging and cognitive abilities on multimodal language production and comprehension in context. PhD Thesis, Radboud University Nijmegen, Nijmegen.
  • Segaert, K. (2012). Structuring language: Contributions to the neurocognition of syntax. PhD Thesis, Radboud University, Nijmegen, the Netherlands.

    Abstract

    Sprekers hebben een sterke neiging om syntactische structuren te hergebruiken in nieuwe zinnen. Wanneer we een situatie beschrijven met een passieve zin bijvoorbeeld: 'De vrouw wordt begroet door de man', zullen we voor de beschrijving van een nieuwe situatie gemakkelijker opnieuw een passieve zin gebruiken. Vooral bij moeilijke syntactische structuren is de neiging om ze te hergebruiken erg sterk. Voor gemakkelijke zinsconstructies geldt dat minder. Maar als deze toch hergebruikt worden dan gaat dit samen met een sneller initiëren van de beschrijving. Ook in het brein zien we dat het herhalen van syntactische structuren de verwerking ervan vergemakkelijkt. Bepaalde hersengebieden die zorgen voor de verwerking van syntactische structuren zijn zeer actief de eerste keer dat een syntactische structuur wordt verwerkt, en minder actief de tweede keer. Het gaat hier om een gebiedje in de frontaalkwab en een gebiedje in de temporaalkwab. Opvallend is ook dat deze gebieden de verwerking van syntactische structuren ondersteunen zowel tijdens het spreken als tijdens het luisteren.
  • Sollis, E. (2019). A network of interacting proteins disrupted in language-related disorders. PhD Thesis, Radboud University Nijmegen, Nijmegen.
  • Tsoukala, C. (2021). Bilingual sentence production and code-switching: Neural network simulations. PhD Thesis, Radboud University Nijmegen, Nijmegen.
  • Van Paridon, J. (2021). Speaking while listening: Language processing in speech shadowing and translation. PhD Thesis, Radboud University Nijmegen, Nijmegen.
  • Verhoef, E. (2021). Why do we change how we speak? Multivariate genetic analyses of language and related traits across development and disorder. PhD Thesis, Radboud University Nijmegen, Nijmegen.
  • De Vos, C. (2012). Sign-spatiality in Kata Kolok: How a village sign language in Bali inscribes its signing space. PhD Thesis, Radboud University Nijmegen, Nijmegen.

    Abstract

    In a small village in the north of Bali called Bengkala, relatively many people inherit deafness. The Balinese therefore refer to this village as Desa Kolok, which means 'deaf village'. Connie de Vos studied Kata Kolok, the sign language of this village, and the ways in which the language recruits space to talk about both spatial and non-spatial matters. he small village community Bengkala in the north of Bali has almost 3,000 inhabitants. Of all the inhabitants, 57% use sign language, with varying degrees of fluency. But of this signing community (between 1,200 and 1,800 signers, depending on your definition of 'signer'), only 4% are deaf. So, not only do the deaf people of Bengkala use the sign language Kata Kolok, but also the majority of the hearing population. "I've worked with deaf people from all over Asia, Europe, and also some signers in America," says Connie de Vos of MPI's Language and Cognition Department, and Centre for Language Studies (RU). "What sets apart this particular deaf village is that deaf individuals are highly integrated within the village clans. There is really a huge proportion of hearing signers." The sign language currently functions in all major aspects of village life and has been acquired from birth by multiple generations of deaf, native signers. According to De Vos, Kata Kolok is a fully-fledged sign language in every sense of the word. As a collaborative project, she has initiated inclusive deaf education within the village and now Kata Kolok is used as the primary language of instruction. De Vos' primary finding is that Kata Kolok discourse uses a different system of referring to space than other sign languages. Spatial relations are represented by a so-called "absolute frame of reference", based on geographic locations and wind directions. "All sign languages, as we know, use relative constructions for spatial relations. They use signs comparable to words like 'left' and 'right' instead of 'east' and 'west'. Kata Kolok does the latter. Kata Kolok signers appear to have an internal compass to continually register their position in space."De Vos is the first sign linguist who has documented Kata Kolok extensively. She spent more than a year in the village and collected over a hundred hours of video material of spontaneous conversations. "One of the things I've noticed is that language doesn't really emerge out of nothing," she says. "Signers adopt a local gesture system and transform it into a new and much more systematic sign language. A lot of the signs refer to concepts they're familiar with. That's why hearing signers have no difficulties in picking up Kata Kolok. Kata Kolok unites the hearing and the deaf.

Share this page